Aanmelden | Contact
Zoeken

Nederland: Ordonnantie patentrecht 1805 (acte van patent vanaf 1806)



inhoud

* hoofdstuk 1 - Van den Ophef van het Regt van Patent (artikel 1 t/m 13)
* hoofdstuk 2 - Tarif op het Middel van Patent-Regt (artikel 14 t/m 21)
eerste afdeling (artikel 18)
- 1ste begroting (winkeliers)
- 2de begroting (winkeliers)
- 3de begroting (winkeliers)
- 4de begroting (winkeliers)
- 5de begroting (kramers (inlandsche) niet uit het huis verkoopende)
- 6de begroting (kramers (inlandsche) niet uit het huis verkoopende)
- 7de begroting (vreemde kramers en kooplieden)
- 8ste begroting (vreemde mars- of pakkendragers)
- 9de begroting (vreemde mans of vrouwen)
tweede afdeling (artikel 22 t/m 34)
- 1ste klasse (artikel 25)
- 2de klasse (artikel 26)
- 3de klasse (artikel 27)
- 4de klasse (artikel 28)
- 5de klasse (artikel 29)
- 6de klasse (artikel 30)
- 7de klasse (artikel 31)
- 8ste klasse (artikel 32)
derde afdeling - patenten voor openbare vermakelijkheden (artikel 35 t/m 39)
vierde afdeling - belasting op het dragen van gepoederd haar (artikel 40 t/m 42)
vijfde afdeling - patenten op het regt van de jagt (artikel 43 t/m 46)
* hoofdstuk 3 - Algemeene Bepalingen (artikel 47 t/m 65)



HUN HOOG MOGENDE,
Vertegenwoordigende het Bataafsch Gemeenebest, allen den genen die deze zullen zien of hooren lezen, SALUT! doen te weten:
Dat, door ons ontvangen en goedgekeurd zijnde de Voordragt van den Raadpensionaris tot het arresteeren eener ordonnantie op de invordering van het regt van Patent op alle Bedrijven en Neringen, het vertier van sommige Waaren, en eenige voorwerpen van Weelde of Vermaak, dien ten gevolge is gearresteerd, zoo als gearresteerd wordt bij dezen de navolgende


ORDONNANTIE, volgens welke het Regt van Patent op alle Handel, Neringen, Beroepen en Bedrijven, en eenige andere Objecten van Weelde of vermaak, binnen deze Republiek zal wordne geheven.

EERSTE HOOFDSTUK.


Van den Ophef van het Regt van Patent.
[Art. 1] Met den aanvang van den jare 1806, zal binnen de Bataafsche Republiek niemand eenigen Handel, Beroep, Bedrijf of Nering, bij Art. 8 dezer Ordonnantie van deze Belasting niet vrijgesteld, vermogen uitteoefenen, ten zij voorzien van een Acte van Patent, waarbij hem zulks van wegen het Publiek Bestuur wordt toegestaan.
[Art. 2] Desgelijks zullen na den 1 Januarij 1806 de overige Objecten, in de 3de, 4de en 5de Afdeeling, 2de Hoofdstuk dezer ordonnantie omschreven, aan de btaling van het Regt van Patent aan den Lande onderhevig zijn.
[Art. 3] Deze Acten of Patenten zullen gedrukt of geschreven moeten worden op Zegels, ten montante van de Tariven, daar voor in het tweede Hoofdstuk dezer Ordonnantie bepaald, zijnde voor dezelve geärresteerd het Formulier, hier achter gevoegd, sub. Litt. A. En zullen dezelve worden afgegeven door of namens de Gemeente Besturen,, of door of van wegen die genen, die de Policie in of over de respective Gemeente of Districten uitoefenen, daar waar geene afzonderlijke Besturen over iedere Gemeente bestaan, en op welke tevens betrekkelijk is al het gene in de volgende Artikelen van Gemeente Besturen wordt gezegd.
[Art. 4] Dienvolgende zal elk Ingezeten, welke met den 1 Januarij 1806 eenigen Handel, Bedrijf, Beroep of Nering begeert voort te zetten, of uit eenigen anderen hoofde aan de Impositiën, in deze ordonnantie vermeld, contribuabel is, binnen drie maanden daarna, en mitsdien vóór den 1 April, daar van kennis geven aan het Gemeente Bestuur zijnder Woonplaats, en zulks bij een ongezegeld Billet, volgens het Formulier Litt. B. 1, achter deze ordonnantie gevoegd; waar van de Gemeente-Besturen zullen zorge dragen, dat ten allen tijde een genoegzaam aantal op een daartoe ingerigte plaats voorhanden, en gratis te bekomen is. Vervolgens zullen zij gehouden zijn, het verzochte Patent ter Secretarij van voorschreven Bestuur te ligten, hetzelve vóór de afgifte mede onderteekende; - niet kunnende schrijven, zal daar van melding op het Patent worden gemaakt.
En zal de gene, welke bevonden mogt worden na den 31 Maart 1806, zonder behoorlijk patent eenige der voorschrevene Neringen, Beroepen of Bedrijven te hebben uitgeoefend, verbeuren eene Boete van één honderd Guldens, en langer dan drie maanden na dien, en alzoo na den 30 Junij 1806, twee honderd Guldens, en voorts met augmentatie van honderd Guldens voor elke drie maanden nalatigheid, ten profijte als in Art. 61 is bepaald, onverminderd het Regt van Patent, door denzelven, op poene van stilstand van zijn Bedrijf, Nering of Beroep, te voldoen.
Desgelijks zal elk en een iegelijk, welke te eeniger tijde eenigen zoodanigen Handel, Bedrijf, Beroep of Nering zal willen anavangen, of zal komen te vallen in de termen der verdere bepalingen van deze Ordonnantie, gehouden zijn, vooraf zich te voorzien van de vereischte Acte of Patent, op gelijke Boete, en met dezelfde vermeerdering voor elke drie maanden.
[Art. 5] Zoodanige Acte of Patent zal den Verkrijger de bevoegdheid geven, om, gedurende den loop van één jaar na dato der uitgifte, den daarin vermelden Handel, Bedrijf, Beroep of Nering, binnen den geheelen omtrek dezer Republiek uitteoefenen, aantevangen en voort te zetten, zouden daartoe eenig ander Verlof, Consent, Acte, of wat het ook anders moge zijn en van 's Lands wege niet gevorderd wordt, te behoeven des echter, dat de te accorderene Patenten niet zullen vrijstellen van de voldoening aan zodanige Bepalingen van Algemene en Plaatselijke Police, als betrekking hebben, tot de zekerheid en veiligheid van Personen en Eigendommen, of strekken om vermeerdering van bezwaar voor de Armen Fondsen te voorkomen, noch in sommige Takken van Practicale Wetenschappen, zullen ontstaan van het vereischte, om op een der Binnen- of Buitenlandsche Akademien of Universiteiten te zijn gegradueerd, en eindelijk niet zullen bevrijden van de verpligting, om zich de benooddigde Acten of Commissien aanteschaffen gevorderd tot 't waarnemen van het Beroep van Makelaar, Notaris, Procureur, Soliciteur, Schoolmeester, Chirurgijn, Apotheker, Vroedmeester of Vroedvrouw, Essaijeur, Landmeter, Wijnroeijer en dergelijken.
En zal, na het eindigen van ieder jaar, het verkregen Patent moeten worden verwisseld, vóór of uiterlijk binnen de laatste maandn vóór den vervaltijd, en zulks bij de Boete, Artikel 4 bepaald.
[Art. 6] Van het bekomen van ene Acte van Patent, zullen zijn uitgesloten:
a. Die door een Regterlijk Decreet in staat van beschuldiging zijn gesteld, of in Regten voor eerloos worden gehouden.
b. Die een Jaar, het verzoek om Patent voorafgaande, in deze Republiek hunne Woning nog niet gevestigd hadden, en gene Lasten gedurende hetzelve Jaar in dezelve hebben betaald.
c. Bankbreukigen, mitsgaders zij die Cessie van Goederen hebben gedaan, zoo lang hunnen Crediteuren niet ten genoegen zijn voldaan, en zulks voor zoo ver het Patent strekt, om eenig eigen Bedrijf of Nering uitteoefenen, en mitsdien met uitzondering van het Patent, om in dienst van een anderen, of als knecht werkzaam te kunnen zijn.
[Art. 7] Van de uitsluiting, in het voorgaande Art. Litt. B vermeld, zullen zijn uitgezondert,
Voor eerst: Vreemde Daglooners, van buiten 's Lands inkomende, om binnen deze Republiek, het zij het geheele Jaar of een gedeelte van dien te arbeiden; wordende onder de generale benaming van vreemde Daglooners verstaan, alle Vreemdelingen, welke hier te Lande komende, in dienst van een ander staan, zonder onderscheid van de Kundt of het beroep, welke zij uitoefenen, en zulks gedurende het eerste Jaar van hun verblijf hier te Lande, en verder niet.
Ten tweede: Vreemde Kooplieden, Kramers en andere Personen, vallende in de termen van de 7de, 8ste en 9de Begrootingen van het 18de Artikel dezer ordonnantie.
Ten derden: Zij, welke door den Raadpensionaris van deze bepaling in tijd en wijle bij speciaal Besluit zullen zijn geexameerd, wordende bij dezen aan den raadpensionaris, tot zoodanige vrijstellingen, verleend de noodige Magt en Autoriteit.
[Art. 8] Van dezen Impost, en mitsdien van het nemen van Patent, zullen vrij en daartoe ongehouden zijn
- Geestelijke personen
- Ambtenaren, vallende in de termen van Art. 32 der Ordonnantie op het Middel van het Klein-Zegel, en in deze Lijst niet gemeld.
- Renteniers en andere Personen, welke geenerlei Handel, Bedrijf, Beroep of nering exerceeren.
- Landlieden, Landbouw of Boeren-bedrijf, en geen anderen Handel, Bedrijf, Beroep of Nering, aan het namen van Patent onderworpen, exerceerende.
- Arbeiders en Daglooners (Inlandsche) tot Landbedrijven, Boeren, Tuin- en Akkerwerk gebezigd wordende, wordende door Inalndsche begrepen alle zoodanigen, welke gedurende één Jaar of langer hun vaste Woonplaats binnen dit Gemeenebest onafgebroken gehouden hebben.
- Kantoor-bedienden, geen Salaris of Voordeel genietende;
- Schippers en Voerlieden, aan het binnen- of buitenlandsch Lastgeld onderworpen.
- Zeevarende Lieden;
- Visschers;
- Domestieken, waar van het volle Dienstbodengeld wordt betaald; en
- Jongens en Meisjes, in of voor Fabrijken of Trafiken werkende, geen twintig jaren oud zijnde;
Zullende alle Handel, Beroep, Nering of Bedrijf, welke in de bovenstaande Lijst niet als vrijgesteld is vermeld, aan het Regt van Patent, ofschoon ook onder de Contribuabelen niet speciaal omschreven, nogtans onderworpen zijn, en gelijk gesteld en begrepen moeten worden met een Bedrijf en de Klasse, waar onder hetzelve in de 2de Afdeeling van het 2de Hoofdstuk ressorteert, waar mede zoodanige Handel, Beroep, bedrijf of Nering, het meeste overeenkomst heeft, ter decisie van den Raad van Financiën in het Departement, of Commissarissen ter Judicature van de Middelen te Lande over Ressort, waar de Contribuabele woonachtig is.

Eene Missive van Hun Hoog Mog., en Staats-Besluit van den 19 dezer No. 9, met aanschrijving om hetzelve te brengen ter kennis van de respective Gemeente-Besturen, waar bij wordt verklaard, dat, hoe zeer bij het 8 Art. van de Ordonnantie op het regt van Patent ook, onder andere, Arbeiders of Dagloners tot zoogenaamd Boeren Tuinwerk, (dat is Tuinwerk, 't geen met den Landbouw gelijk staat,) wordende gebezigd, van dezelve Belasting zijn vrijgesteld, deze vrijstelling echter niet alleen zich geenszins uitstrekt tot de Tuiniers-Bazen of Meesters, die zoodanige Arbeiders of Dagloners in hunnen dienst hebben, of emploijeren, daar zonder onderscheid alle Tuinieren of Hovenieren, 't zij dezelve tot het aanleggen en bewerken van Tuinen vóór vermaak en luxe dienden worden geëmploijeerd, of wel Boerentuinen hebben of bewerken, van een Acte van Patent behooren te worden voorzien maar dat ook onder gezegde exemtie niet behooren zoodanige Knechts of Dagloners van Tuinen, die voor het tuinwerk van luxe en vermaak worden gebezigd; - en dat alzoo de voorschreven Tuiniers-bazen, als mede laatstgemelde Knechts of Dagloners verpligt zijn, zich, ingevolge het laatste gedeelte van meergenoemde 8 Art. van een Patent voorzien, zullende hetzelve voor de Bazen worden berekend naar het aantal der Knechts, welke zij in hunnen dienst hebben - Zie Extract uit de Notulen van het Departementaal bestuur van Vriesland den 27 mei 1806.

[Art. 9] Iemand, meer dan één, doch met elkander verwandte of gewoonlijk te zamen uitgeoefend wordende handel, Beroep, Bedrijf of Nering begeerende te exerceeren, zal daar toe slechts behoeven één Acte of Patent op het hoogste Zegel, op een der benamingen van dien Handel of Beroep gesteld; doch meer dan één van onderscheidene en niet met elkander verwandte of bij elkander gebruikelijke Beroepen of Neringen en Bedrijven drijvende, voor elk derzelve eene afzonderlijke Acte van patent moeten nemen op het Zegel, het geen voor elk derzelve is bepaald.
[Art. 10] Iemand tot eenig Bedrijf, Beroep of Nering gepatenteerd zijnde, en met het eindigen van het Jaar, voor het welk het Patent afgegeven is, tot een ander Beroep, of in eene hoogere Klasse van zijn Broep, zo als die hier na zullen worden omschreven, zijnde overgegaan, zal gehouden zijn, zich in dezelve aan te geven, op poene van verstek van het effect van zijn bekomen Acte van Patent, en eene Boete van twee honderd Guldens.
[Art. 11] Man en Vrouw, in gemeenschap van Goederen getrouwd, en beide te zamen in eenige Affaire zijnde geässocieerd, zal een enkel patent voor beiden voldoende zijn mits en ehtzelve hier van melding worde gemaakt; doch zullen Man en Vrouw, buiten gemeenschap van Goederen getrouwd, en te zamen Affaire doende op den voet, hierna Art. 23 gemeld, als afzonderlijke Compagnons wordende aangemerkt, en zullen mitsdien, ten aanzien van eenige Handel, Beroep, Nering of Bedrijf, in de 2de Afdeeling van het 2de Hoofdstuk voorkomende, elk afzonderlijk moeten worden gepatenteerd.
[Art. 12] Vrouwen, het zij gehuwd of ongehuwd, op zich zelf of haar eigen Naam eenigen Handel, Beroep, Bedrijf of Nering, uitoefende, zullen tot het nemen van Patent, even als de Mans, verpligt zijn.
[Art. 13] Wanneer, na het overlijden van een gepatenteerden, de Weduwe, Kinderen of Erfgenamen, de zaken van den Overledenen verkiezen voort te zetten, zal, op vertoning der Acte of Patent van den Overledenen, aan dezelve of dezelven, met ianchtneming van het bepaalde bij het hierna te melden Artikel 24, ksoteloos worden afgegeven eene ognezegelde Acte of Patent voor den tijd, voor welken die van den Overledenen nog valabel zoude zijn, en deze nieuwe Acte aan de oude worden geännexeerd, en op dezelve daar van aanteekening gesteld.

Laatst gewijzigd: mei 2011.