Aanmelden | Contact
Zoeken

Dordrecht: criminele rol (Arij van de Winkel en Johannis Peters) 1796


Bron: Regionaal Archief Dordrecht
Toegang: 9
Inventarisnummer: 239 (criminele rollen van de hoofdofficier 1795-1797)

NB. toegang 9 is per 4-9-2014 vernummerd; het oude nummer van 239 was: 183.

Titel boek: Crimineele-Rolle van den Burger Paulus Knogh, Provisioneelen Bailliuw der Stad Dordrecht en de van de Merwede. Eerste Roll van 8 September 1795 tot 8 Junij 1797.

(een aantal pagina's uit deze bron)


18-10-1796 Arij van de Winkel (opgehangen 20 december 1796)


(folio 83)

Paulus Knogh Provisioneel Bailliuw der Stat Dordrecht en van de Merwede Ratione officii Eisscher in Cas Crimineel
Contra
Arij van de Winkel thans Gevangen op den Raathuijze dezer Stat
.

Alzo Arij van de Winkel, thans Gevangen op den Raathuijze dezer stad, out zo hij zegt vijf en veertig Jaren geboren in de Hekste in Vrieslant wonende onder de Merwede even buiten deze Stat en van beroep een Slepersknegt, vrijwllig en zonder Pijn van Banden of ijzer heeft, belden en verders is gebleken.
Dat hij gevangen genoegzaam ontelbare reizen uit stelen is geweest, met zijn mede Complice Johannis Petersen, Dat zij te Zamen des nagts tusschen Vrijdag den Eersten en Zaturdag ten Tweden Julij laatstleden uit stelen zijn geweest, met zig nemen de Een Stok en Een Hakmes, met oogmerkt om de Stok te gebruijken, om over de Sloten te springen en 't Hakmes om mede te breken.
Dat hij gevange met zijn Complice is gegaan na den Tuijn van den Burger Mom, en aldaar over de Poort van dier Tuijn is heen geklommen, terwijl zijn Complice Johannis Peters, uit een daar zijnde dwarslaantje, over de sloot is heen gegaan, toen over de naast bij gelegen tuijn is heengegaan, toen voer de Heijning is geklommen en zo bij hem in den voorn: tuijn is gekomen.
Dat zij te zamen, toen de deur van 't Keukentje hebben opengebroken dat zij te zamen ook geprobeert hebben, om de verdere Huijzing ook open te breken dog dat zij zulks hebben moeten staken, om reden het te sterk met ijzere Bouten voorzien was.
Dat zij gevangene te Zamen uit die Tuijn voor Zoo verre hem bekent is hebben gestolen Een copere Th(e)e ketel, en een Blaauw Dobbelstene voorschot

(folio 84)

en dat mede na Huijs hebben genomen.
Dat zij toen te zamen dien zelfden Nagt zijn gegaan in den Tuijn van Prince van Rijzoort aldaar met den Stok die zij bij zig hadden, over de sloot zijn gesprongen, op den Boomgaart van Toon, vervolgens nog een slootje zijn over gesprongen op het agterlant van Vernoemden Tuijn aldaar door de Heg zijn heengekropen en alzo te zamen in die tuijn zijn gekomen.
Dat zij toen de deur van het keukentje hebben open gebroken, waar na zij getragt hebben om de Deur van de Coepel ook open te breken, dog dat zulks niet willende lukken, toen met het Hakmes dat zij bij zig hadden Een Vengster hebben open gevreekt, en vervolgens daar van een Plank met gewelt hebben afgebroken, en door dat Vengster met behulp van een Houte krukje zijn in huijs geklommen. Dat zij te zamen uit die Coepel en uit dat keukentje hebben gestolen en medegenomen Een Hout Schuijfdoos waar in, 12 lepels en Vorken, Comparsche 10 Staale Vorken met Hartshoorne Legten, agt mesjen different Zoort, Een Bruijn Houte tabaks kisje en Lepeltje, Een koper koffi keteltje, Twaalf Blaauw Porcelijne kopjes, Elff dito schoteltjes, Een dito Spoel kon, Tw(e)e verlakte schenkblaatjes, Een Hengel korfje met een gebroke Dekzel, zes zervetten en een wit voorschort.
Dat zij die goederen van die beude Diefstallen hebben tuijs gebragt en met behulp van hunner beiden vrouwen in twe gelijke delen zo na mogeli(j)k hebben verdeelt, en na zig genomen, en dat die bovenstaande goederen welke de Justitie nog uit beider Huijzen heeft gehaalt en aan hem in Judicio heeft vertoont, dezelvde zijn welke hij met zijn Complice uit die Tuijnen heeft gestolen.
Dat hij Gevangen verders heeft beleden, dat hij met zijn Complice Johannis Peters, des Nagts tusschen Vrijdag en Zaturdag den 10 en 11 Julij laatstleden

(folio 85)

heeft wezen stelen op den Blijk van den Bleker Bossij dat zij te zamen om op dien bleijk te geraken over enig hout dat in de Beeltjeshaven lag, die haven zijn overgegaan, over het Erf van den tuijn van wijlen de Burgeres van Attenhoven zijn heen gegaan, daar over een glint, staande aan een Doorne Heg zijn overgeklommen en Zo zijn gekomen op den voornoemden Blijk en dat zij denzelfden weg vandaar, wederom zijn te rug gegaan.
Dat zij te zamen aldaar hebben gestolen Een beste Catoene gestikte Vrouwe rok, Een witte Engelsche Demitte dito, Een witte Haarlemse dito, twe(e) Catoene Baaije onderrokken, agt bedde lakens in Zoorten, twe kusje slopen, twe vrouwe Hembden, Een Poeder kleet, Drie paar witte gare kousen.
Dat zij die goederen al wederom te zamen na huijs hebben gebragt, en met behulp van hunne Vrouwen hebben verdeelt, en dat nog een gedeelte der goederen, welke door de Justitie in hunnen Huijzen is gevonden, en aan hem en Zijn Complice in Juditio is vertoont, van het zelfde goet is, dat zij daar gestolen hebben.
Dat hij Gevangen en zijn Complice Johannis Peters op een Nagt in de week van Pinxteren zijn wezen stelen in den thuijn van den Burger Gregoor, leggende in het Paatje tusschen de Vriezepoortsweg en Zandweg, dat hij en zijn Complice om in den tuijn te geraken van den Crommendijk zijn over de sloot gesprongen op een weide, die weide zijn doorgegaan vervolgens wederom over de sloott zijn gesprongen op het agterlant van voornoemde tuijn en daar de Heijning zijn overgeklommen.
Dat aan de Huijzing in die tuijn het hout Raam met was neergeschoven, en dat zij het ander Raam niet geforceert hebben, want dat het aanstont, dat hij met behulp van zijn Complice uit die Huijzing gestolen naar huijs gebragt, en met behulp hunner Vrouwen zo na doenlijk in twe gelijke Parten hebben verdeelt.
E(e)n kopere ketel met een Roosje op den Hengel

(folio 86)

Een kleijn veijseltje en Stamper, een kopere blaker met een steel, twe Blikke Busjes, of trommeltjes Een tang, Een spoelkom, Melk kan, Zuijker Pot alle drie van wit aan de goet met groen, Een Zwart Zuijkerpotje met een zilver lepeltje, Een trekpot, Melk kan Zuijker Pot Spoelkom alle vier zwart verglaast, Een Blikke verlakte theebusje, Een stene keteltje met een blikke Hengel, Een grote zwarte trekpot, Een partij Porcelijne kopjes en Schoteltjes en groen bennetje gemerkt NG Enige Engelse Borden, drie dito, asstellen, Vier dito schaaltjes.
Dat hij met behulp van zijn Complice Johannis Peters enige tijt gelegen heeft gestolen in den tuijn van den Burger Jan Vet dat alvorens hij met zijn Complice na die tuijn ging zijn geweest in den tuijn van den Burger van 1 Heetoven dat zij van daar een Laddertje hebben mede genomen waar mede zij over de Poort van den tuijn van den Burger Vet zijn heengeklommen en Zo in die tuijn zijn ingekomen, enna derhant die Ladder volgens het zeggen van zijn Complice in de Sloot hebben geworpen.
Dat zij een vengster Raam van de huijzing in die tuijn met de hant hebben open gebroken, en Zo in Huijs zijn geklommen, dat hij aldaar met zijn Complice uit die tuijn heeft gestolen na huijsgebragt en ten overstaan van hunne Vrouwen hebben verdeelt de navolgende goederen zonder dat zij juijst het preciese getal kunnen bepalen.
Een Tafel, nege servetten, Elf Delfse borden gecompaant, Een en Twintig Borden effe ronde zes schalen en schoteltjes, twe dito met gecampaande Randen, Zeven Boter Schoteltjes, Een zwarte kopere th(e)e ketel, een dito met een ijzeren Hengel, Een gele kopere Coffi kan met zijn Confoortje, Een Blikke verlate Trommel, twe verlakte th(e)e Plaatjes, een verlakt the Bosje

(folio 87)

Een Zeer klein Confoortje, Enige Lepels en Vorken, enige kopjes en schoteltjes Bruijn 1 Porcelijn, twe(e) Verschulp gordijntjes; Een ouderwetze kopere kandelaar twe(e) Schilderijtjes, Een Porcelijne Schotel en Zeve wijn glazen.
Dat er onder die goederen, die door de Justitie in de Huijzing en van hem en zijn Complice zijn gevonden en aan hem in Judicio zijn vertoont nog een goet gedeelte zig bevont, van de goederen in die twe(e) tuijnen van de Burgers Gregoor en Vet gestolen.
Dat hij met zijn Complice Johannis Peters is gaan stelen in t Wei Huijsje van den Burger Jonker dat zij om in dat huijsje te geraken de Vengster daar van met behulp van hun Hakmes hebben open gebroken door die vengster zijn in huijs gekomen de deur van binnen hebben opengemaakt en zo zijn in en uijt gegaan, dat hij met behulp van zijn Complice Johannis Peters uit dat Wei huijsje heeft gestolen, de navolgende goederen zonder nogtans het Juiste getalle kunnen bepalen dog vermeent het zelve bestaan te hebben in Een Tafel kleet, een Witte Manden enige 1 Porcelijne kopjes en Schoteltjes, twe witte Engelse spoelkommen, en dito The(e) bus een dito Melk kan, waar van de bek gekramt was, tw(e)e ruwe linde gordijnen, Een oude wite jas, een grote witte Engelse kom, Zes witte Schalen, agt dito Zeep borden, enige dito platte borden, Een The(e) Zerviesje zonder kopjes en Schoteltjes Amsterdams Blaauw goet, een witte Engelsche zalade Bak, met geschulpte Rant, dat hij met behulp van zijn Complice die goederen na hunne huijzen hebben gebragt, en aldaar als naar gewoonte met behulp van hunne Vrouwen, dezelve in twe(e) delen hebben verdeelt, en ider hun aandeel na Zig genomen en dat er onder die goederen welke door de Justitie in zijn huijs zijn gesonden, daar uitgehaalt, en hem in Judico zijn vertoont, nog verscheiden zijn die in het Tuijnhuijsje van den Burger Jonker door hem zijn gestolen geworden.

(folio 88)

Dat hij nog al verder heeft beleden, dat hij met zijn Complice Johannis Peters, enige tijt geleden heeft gestolen, uit den tuijn van den Burger Melchior de Glint, na zijn best onthout de volgende goederen:

Een klein kinder Bankje, een Bruijne Schansloper, Een blauwe Jas, Een paar Mans Schoenen, Een paar zilvere schoengespen, Een Linde Mansbroek, Een paar witte gare onderkousen, twe kopere ketels, Een grijze gordijntje, EEn Tafel laken, een Linde vrouwe sak, enige vrouwe ondermutzen, twe grauwe Linde doeken, enige oude witte lappen, Een Kruijt Hoorn met kruijt, enige snaphaan kogels twe Lappen Rouw linden, Een Hoede Borsteltje, Een Hantdoek, twe tinne Lepels, een blikke Blakertje, Een Brantglas en een blikke tabaksdoos
dat hij benevens zijn Complice die goederen na hunne huijzen hebben gebragt, aldaar met behulp van hunnen vrouwe, die in twe parten hebben verdeelt, en dat ider zijn aandeel na zig heeft genomen.
dat zij om in die tuijn te geraken, onder een Coepel zijn doorgekropen na een Hekkentje van een andere thuijn te zijn omgeklommen, de tuijn zijn dorgegaan tot op het agterlant van de Glindt en de deur van t agter huijsje hebben opengemaakt.
dat hij gevangen nog heeft beleden, dat hij met behulp van zijn complice Johannes Peters met het bewuste Hakmes, het slot waar mede een Beugel over de deur van het weihuijsje van den Burger Kuijl gesloten was, hebben afgebroken en zo dien beugel hebben losgemaalt, vervolgends de eur met het hakmes hebben opengebroken en alzo in dat Wei Huijsje zijn binnen geraakt.
dat zij toen uit dat Weihuijsje hebben gestolen agt stoelen, Blaauwgtig geschildert, twe theketels, Een The stoof, Een The blat, enig Thegoet en een spiegeltje, dat zij dat goet ook al mede hebben na huijs genomen, en onderling te zamen

(folio 89)

hebben verdeelt, en dat er nog enig van dit gestolen goet door de Justitie, bij hem en zijn Complice in huijs is gevonden geworden.
- Wijders heeft hij Gevangen nog beleden, dat hij met zijn Complice ingeveer drie Maanden geleden uit den tuijn van den Burger Richard heeft gestolen Enige stoelen, Een Japon en Een Bol, welk zij onderling mede al hebben verdeelt, dat hij met zijn Complice om in dien tuijn te geraken van den Hallingendijk zijn ver de Sloot gesprongen op de plaats van de Burgeres van Tets, en van daar door een Heg kruijpende, en een kleijn Slootje overstappende zijn gekomen in den tuijn van den Burger Richard, dat zij toen de deur met de hant van de woning hebben opengemaakt en zo in huijs zijn gekomen.
- dat hij Gevang al mede heeft bekent, dat hij met zijn Complice Johannes Peters, uit een Tuijn gelegen in 't Papeterspaatje hebben gestolen een kleijn Blikke keteltje, twe kopjes en twee Schoteltjes.
- En heeft hij gevangen al verder bekent, met Johannis Peters hebben gestolen in de laatst voorgaande Winter, van den Bleek van den Bleker van Altena een partij Linnen goet, het geen hij meent (zonder het egter zeker te weten) te hebben bestaan in Elf Mans en Vrouwe Hembden, drie Lakens, Een servet, drie kusje slopen, Een Fijtel, Een Neteldoens gordijntje, Een Neteldoekse schuijne das, een dito gecouleurde met een Lijst, twe gestreepte Baaije Zakken, twee Neteldoeke halsdoeken, Een paar Mans onderkousen, een wit Wammesje een witte onderbroek, een witte Hemdtrok met een overslag.
- Wijders heeft hij gevangen nog bekent, dat hij met behulp van zijn Complice Johannes Peters uit den tuijn van den Burger van den Santheuvel hebben gestolen Een visketel met een houte dekzel, een kopere the(e)ketel, twe tinne kandelaars, Een visschotel, Een witte delfse Salade Bak, Een Tafellaken, Zes zervetten, een Vrouwe Jak, een tinne waterpot

(folio 90)

dat zij om in die tuijn te geraken, van de Krommendijk de Sloot zijn overgesprongen, toen een Vengster van onder aan het huijs hebben vinden openstaan en daar door in huijs zijn gekropen, dat zij die gestole goederen wederom na hunnen huijzen hebben gebragt, te zaam hebben verdeelt ten overstaan en met behulp van hunnen Vrouwern en ider hun aandeel na Zig genomen heeft.
- dat hij gevangen nog al verder heeft beleden, dat hij ook al mede met behulp van zijn Complice Johannis Peters van de Buiteplaats van den Burger de Buck heeft gestolen een Lode beelt het geen zij aan hunne huijzing in een ijzere aspot hebben versmolten, en het gesmolten Loot daar van te zamen hebben verkogt.
- dat hij Gevangene al verders heeft bekent, dat hij met behulp van Johannis Peters, Zoo hij meent in den thuijn van den Burger Mom of wel in den tuijn daar naast leggende heeft gestolen een stuk plat Loot, om welk te Stelen Zij tegens een glint zijn opgeklommen, Zij op het dak van de huijzing zijn geraakt, en daar een Stuk loot uijt een goot hebben utigebroken medegenomen an zij verkogt.
- dat hij al verder heeft bekent, dat hij gepasseerde kermis een Jaar, enige mandens met Engels aardewerk toebehorende aan Joodsche kooplieden, met zijn Complice Johannis Peters heeft geleden of gesleept, en gebragt op de Slijterswerf van Waarsman, dat zij met voornemen om daar uit te stelen, met behulp van een out zwaart, dat tegen de glinten Heijning stont, over die glinten Heijning zijn Heengeklommen en toen op die werf zijnde uit die mandens hebben gestolen circa. 60 The(e) Schoteltjes

(folio 91)

72 kopjes, 12 Cocolaat koppen, alle wit met rode bloemen, en vier en twintig room Couleurde schotels en dat zij om weder gemakkeli(j)k van de Werf te geraken, twe van die glinten hebben afgebroken en daar door zijn heengekropen, dat zij adt goet te zamen hebben gedeelt, en dat er nog een gedeelte daar van door de Justitie in zijn huijs is gevonden gewerden.
- Dat hij Gevangen met zijn Complice Johannis Peters op een Nagt, in den laatst voorgaande winter een jaar over het ijs, uit den tuijn van den Burger van der Star heeft gestolen, twee Vragten Hout voor hem ten twe voor zijn Complice dat zij ook te zamen verscheiden reijzen, hout hebben wezen stelen aan de Molens van de Burgers Paulus Knogh, Willem van der Koog, van der Linden, Hendrik en Gerrit van der Koog, en Jan de Here, dat zij ook in enige weiden, Planken en oude Hekkens, en bij de Boeren enige Branthout hebben gestolen, en dat hij Gevang, zulks zonder behulp van zijn Complice, nog ontelbare reizen heeft gedaan,
- en dat hij als wagenaar of sleper rijdende, onder de Vuijlpoort heeft zien leggen een koornzak gemerkt L.A:M:1793, dat hij die zak in zijn Hooijmande heeft gestopt, en mede na huijs genomen, en dat het die zelfde zak is, die door de Justitie in zijn huijs is gevonden gewerden,
- ook dat hij Gevangen met zijn Complice verscheiden maal zonder precies te kunnen bepalen hoe dikwils, maar wel vier malen, aardappelen van het velt heeft wezens telen;
- Dat hij gevangene met zijn Complice Johannis Peters nog verscheide reizen bij de Boeren in 't Eilant, goederen van allerlei aart heeft gestolen of dat hij zig kan herinenren, zulks gedaan te hebben aan de woning van Krabbenhof, Zuijdhoven en dat dat bestaan heeft in eenige Potten en pannen en ander aardewerk en een zeef, een

(folio 92)

ketting, Een Emmer, en een kisje van een Boere wagen, maar dat hij zig van de verdere goederen niet kant herinneren, en dat hij al meerder met zijn Complice op meer dan een plaats Eenderen, en Hoenderen, en ook een gans bij de Boeren heeft doot geslagen.
- Dat hij Gevangen (zonder behulp van zijn Complice) als hij als wagenaars Boekwijt reed daar van een quantiteit heeft gestolen, t(h)uijs gbragt, in zijn Coffij molentje tot meel heeft gemalen, en zo in zijn huijshouden heeft gebruikt, en dat zo een dieverij door hem twe(e)maal is gedaan.
- Dat hij Gevangen dikwils met zijn Compice is gaan vissen, met twe schakels, welke zijn Complice gestolen hat, en daar zij geen water in pagt hadden dat zij op vrije en verpagte water hebben gevist en dus als Stropens hebben gehandelt;
- Verders heeft hij Gevangen bekent, dat hij over een geruijmen tijt geleden, met zijn Complice Johannis Peters is uitgeweest om hout te stelen, en dat zij daat oen bij bevont, zekeren Jan de Vroet, dat zij op die reis ook hebben gestolen, Een Spanzaag, Een Bijl, en en Zethaak welke zij verdeelt hebben.
- dat hij met Jan de Vroet eens uijt zijdne op den ander tijt op een avont, door Jan de Vroet bij de Kousekoper Dura is gestolen gewerden, Zes a Zeven paar koussen, waar onder een paar ligte blaauwe koussen, en dat hij daar van gekregen heeft drie paar koussen dat alle die goederen te voren gemelt door hun zijn gestolen en na hunne huijzen zijn gebragt, aldaar met behulp van hunne Vrouwe in twe(e) gelijke Portien zijn verdeelt, en door ider zijn Portie na zig is genomen en als zijn eigen goet is gebruikt gewerden.

(folio 93)

- dat hij met zijn Complice Johannis Peters telkens heeft beraatslaagt om uit stelen te gaan, dog dat zij niet altoos te voren bepaalt hadden waar zij zoude gaan stelen,. en dat hij met zijn Complice en hunne Vrouwen te Zame hadden overlegt im de Merken uit het gestolen Linden uitte tarnen en uit te Snijden, ja zelfs de Hoeken van de sevetten af te snijden, en die gestolen goederen op de Best mogelijk wijze te verbergen en aan een kant te maken, om daar door te bewerken, dat de Dieverijen niet ontdekt zoude worden en dat hij met zijne huijsvrouw, die goederen gedeeltelijk voor hun eijgen en voor hunnen kinderen hebben gebruijkt, gedeeltelijk hebben verkogt, gedeeltelijk hebben in de Lombert gebragt, en dat de gelden die daar af zijn gekomen in hunnen huijshouding zijn verteert; dat er tusschen hem en zijne Vrouw in de dageli(j)kse verkering verscheiden maal spraak en reden over de gedane dieverijen is geweest, en dat verbergen, gebruijken, verkopen en beleenen altoos met gemeen overleg is geschiet, en voorts beleden heeft, dat hij door zijner handelwijse zig heeft schuldig gemaakt aan Dieverijen van allerleij aart gepaart met geweldige Huijsbrake, en dat hij dus de Straffe heeft verdient, die bij de wetten daar op zijn bepaalt.
- dat hij tot zijne verschoning bijbrengt het stelen uit armoede gedaan te hebben, dewijl zijn vrouw reets zinds drie Jaren aan een accident aan het Been laboreerde, en dat hij van den armen nog geen Jaar lang is bedeelt geweest, en daar van maar heeft getrokken vijf Broden en toen Stuijvers 's weeks, verzoekende dit bij den regter gunstig in het oog mag gehouden werden, en daar om verschoning verhoopt.
Dog na de maal uit al het bekende door hem blijkt dat de gevangene zig heeft schuldig gemaakt aan veellerleij Zaaken van groote, on..me(?), en

(folio 94)

dikwils herhaalde diverijen, gepaart met verscheide Huijsbraken, ook het bestelen van Blijken, gewassen van het velt stelen en Doodslaan van vertrouwde vee, als Eenderen, Hoenderen, Een gans, als andersints, welke alle Zaken zijn, die in een land waar in voor de Publieke veiligheit wert gewaakt, en waar in Regt en geregtigheit wort gehanthaaft niet kan, nog mag werden gepasseert, maar zonder enige de minste oogluijking, ten alle strengste behoort te werden gestraft, zonder dat de gevangene zig, door zijne voorgewende armoede, door over jan verschonen, of de door hem regtmatrige verdiende Straffen, enigzints kan verminderen, aangezien hij boven en buiten het geen hen door de Diaconie armen is toebedeelt, geduurende lange reeks van Jaren als Slepersknegt zijn vast weekgelt heeft genoten.
Zo Concludeert den Eischer R:O: Eisch doende, en Regt Vragende op des Gevangens Confessie uit Naam van het Volk van Hollant ingevolgen het twede artikul van het Placaat van de Staten van Hollant en Westvrieslant van dato den 19 Maart 1614 tegens de Dieven en Dieverijen geëmaneert dat te Gevangene ter zake voorschreve bij vonnis van deze kamer zal werden ter plaatze, alwaar men binnen deze Stat, gewoon is de Executie van Criminele Justitie te verrigten, en aldaar op een Schavot anderen ten Exempel met de Koorde te worden gestraft, zo, dat er de Doot na volgt, ofte tot zodanige straffen, als deze kamer in goede Justitie, zal oordelen te behoren, En dat voorts na de te regtstelling, het lijk van den gevangen behoorlijk zal werden begraven, met Condemnatie niet te min van den gevangen in de kosten

(folio 95)

van den Processe, mitsgaders de kosten en Misen van de Justitie.

De Kamere gezien en geexamineerd hebbende de crimineele Eisch en conclusie,door ofte van wegens den Eisscher R:O: op en jegens den gevangen gedaan en genomen mitsgaders gehoord de confessie van den gevangen. En voords gelet hebbende waar op in dezen te letten stonde, en 't welk konde moveren, doende recht in naam en van wegens het Volk van Holland, condemneerd den gevangen, dat denzelven zal worden gebragt ter plaatse alwaar men gewoon is Executie van crimineele Justitie te doen, En dat denzelven aldaar anderen ten exempel aan de galge met de koorde zal worden, gestraft, zo dat er de dood na volgt.
En condemneert wijders den gevangen in de kosten van den Processe, mitsgaders in de kosten en misen van de Justitie latende aan den Eischer R:O: vrij en onverlet, omme na de te regt stelling over het Lijk van den gevangen, overeenkomstig de Publicatie der provisioneele Representanten van t Volk van Holland in dato 6 Maart 1795 zodanig te disponeren als hij zal vermenen te behoren.
Aldus gedaan en gearresteerd den 18 October 1796.
present alle de Schepenen en gepronuncieerd en geëxecuteerd, den 20 December 1796, present de Schepenen Vrijhof, Rovers, Beudt, Hoijnck van Papendrecht, de Jong van Son en Westerouwen van Meeteren.

(kantlijn) De goederen van Arij van de Winkel, en Johannis Peterse zijn gecombineerd op het Erfhuijs vercogt. En daar van geprovenieert volgens Lijst de Somme van f 44:6
af
Rantzoen f 2:4:8
Verhoor f -:2:4
Saalgeld f -:7:- = f 2:13:12
af f 41:12:4
brengen na het Erfhuijs f -:12:-
= f 41:-:4
komt hier voor de helft f 20-10-0
wordende de wederhelft gebragt op de Post van Johannis Peterse.
Verder de Geconden.
fine Bonis.
(NH Vrijthof, Pieter Koijmans)

Laatst gewijzigd: november 2014