Aanmelden | Contact
Zoeken

Maritieme geschiedenis van Dordrecht in de 17e en de 18e eeuw


22 kooplieden/reders te Dordrecht in de 18e eeuw: hun handel, schepen en onderlinge familiebanden

Samengesteld door historica/schrijfster H.W.G. van Blokland-Visser (Papendrecht 2015)
E-mail: k.blokland87@upcmail.nl; website: http://blokland.dordtenazoeker.nl.


11b. rederij firma Gerrit van Hoogstraten & zn (artikel tijdschrift Aachterum 2015-2)


EEN SCHIP VERNOEMD NAAR DE HEERLIJKHEID BERLICUM

Jan Lunenberg

Zoals geplaatst in het tijdschrift Aachterum, jg. 19, nummer 2 van 2015 van de Historische Vereniging Berlicum Middelrode. De auteur is behalve redactielid van het tijdschrift ook secretaris van deze vereniging.

Inleiding
Berlicum was, zoals bekend, gedurende enkele eeuwen een Heerlijkheid, dat wil zeggen dat het dorp door vererving of koop in het bezit was van een Heer en bestuurlijk werd vertegenwoordigd door een drossaard. De Heerlijkheid van Berlicum en Middelrode bestond in elk geval al in 1687, want toen werd de verkoop bekend gemaakt in de Oprechte Haerlemsche Courant van 8 en 15 juli 1687:

Wert bekent gemaeckt, dat op den 30 deser Maent July 1687, voor den rade van Brabant in 's Gravenhage finalijck sullen verkocht werden de Heerlijckheden van Berlicum ende Middelrode, met verscheyde schoone Goederen van Landeryen en Molens, &c. lemant nader onderrichtinge begeerende, kan sig addresseren in ’s Gravenhage, ter Griffie van gemelde Rade en den Procureur Maerlant.

De laatste Heer van Berlicum en Middelrode is Jacob Staats van Hoogstraten Gerritsz. Hij koopt de Heerlijkheid van Berlicum en Middelrode in 1794 voor f 12.000,-- van baron Louis Theodoor Forestier d’Orges, ook Heer van Waalwijk en Besoijen, en gehuwd met Paulina Maria Constantia Le Lieu de Wilhelm. (*1)
Jacob koopt de Heerlijkheid van Berlicum en Middelrode zeer vermoedelijk in de wetenschap dat hij niet lang van de ‘heerlijke rechten’ zal kunnen genieten. Er zijn immers in de Republiek der Verenigde Nederlanden staatkundige ontwikkelingen gaande.

Jacob van Hoogstraten
Jacob wordt op 8 oktober 1736 in Dordrecht geboren als (enige) zoon van Gerrit van Hoogstraten (1715/1762), koopman en touwslager aan de Vest in Dordrecht, en Cornelia Roos (1714/1787). Zijn ouders trouwen op 27 november 1735 te Dordrecht. Zijn vader Gerrit is de enige zoon uit het eerste huwelijk van Gerrit Staes van Hoogstraten staetsz en Hester Harus Gerards.

[afbeelding: Doopakte Jacob van 10 oktober 1736 (gegevens Hervormde Gemeente Dordrecht 1681-1737)]

Jacob wordt gereformeerd gedoopt op 10 oktober 1736. Uit het huwelijk van zijn ouders worden nog drie kinderen geboren, allen Warnardus genaamd, gedoopt op 31 oktober 1738, 14 december 1740 en 10 februari 1742, die vermoedelijk niet lang hebben geleefd.

Jacob is de laatste telg uit deze familie ‘Van Hoogstraten’, een oud geslacht, dat reeds rond 1580 een touwslagerij op het Nieuwe Werck, bij de Hoochstraet (de Hoge Nieuwstraat) in Dordrecht heeft. Aanvankelijk heet deze familie Van der Lee, maar vanaf 1631 begint men de naam “Van Hoochstraeten” te gebruiken. Deze familie behoort tot de Waalse kerk en is wegens godsdienstvervolging vanuit Vlaanderen naar Dordrecht gevlucht.
Jacob trouwt op 26 juni 1757 in de Waalse kerk te Dordrecht met Apolonia van Eijsden, geboren op 8 april 1739 in Dordrecht, als dochter van Dyonisus van Eijsden (koopman in hout te Dordrecht) en Johanna Bootsman.

[afbeelding: De afkondiging van het huwelijk van Jacob en Apolonia in 1757]

De huwelijksplechtigheid wordt opgeluisterd door Johan van Eysden van Achlum met een voordracht, getiteld:
“Echtzang Voor den Here Jakob Staats van Hoogstraten, Met mijne Nichte, Juffrouwe Apolonia van Eysden, Verenigd, binnen Dordrecht, den 26, der Zomermaande 1757”.
Het echtpaar krijgt 4 kinderen, die allen jong overlijden.
Apolonia overlijdt op 3 april 1792 te Dordrecht.

De laatste regels van de echtzang!
Kusch uw mondjes ruim zo vast',
Als de een schulp op d’andren раst ‚
Waar in de oester ligt besloten.
‘t Zweet schijne over 't lijf gegoten.
Daar een kittelend gevoel
De oorzaak zij van ’t mingewoel.
Uw gekir verdoof’ de tortels.
‘t Veil vlecht’, met zijn bovenwortels,
Zich zo nauw nooit om een boom,
Als gij, in een zachten droom,
Na lief zuchten en zoet kermen,
Onderling u houdt in de ärmen.
Schuif de nachtgordljn nu toe,
Wijl gij, mijner maat reeds moê,
Onder minbespiegelingen,
Zelf een andren toon gaat zingen,
En, in ’t midden van den zwier,
De ene snaar springt van mijn lier
.

Jacob is een belangrijke man in Dordrecht. Deze stad wordt bestuurd door onder meer de colleges: Den Oudraad (40 vroedschappen), De Goede Luijden van den Achten (acht heren), het Gerecht en de Mannen van Veertigen.
Jacob behoort sinds 1777 en voor zover bekend zeker tot en met 1784 tot de Goede Luijden van den Achten, een college dat de vroedschappen min of meer controleert.
[afbeelding: Uittreksel uit de ‘Lyste, waarin vertoont worden de Naamen, van de Ed:Groot Achtb: Heeren Regenten der Stadt Dordrecht’ uit 1784)]

Bezittingen

Jacob woont in Dordrecht, althans zeker in 1780, en koopt en verkoopt daar woon- en pakhuizen, zoals aan de Groenmarkt en Varkensmarkt.
Van 1784 tot 1791 bewoont hij “Rhijnoord”, een buitenplaats, gelegen te Alphen aan den Rijn, bestaande uit een herenhuis, speelhuis, stalling, wagenhuis, schuur, schuitenhuis, moestuinen, een wijnberg met grotwerk, hertenkamp, boomgaarden, en visrijke vijvers waarin eilandjes, al daterende uit de 17e eeuw.
In 1757 koopt Elias Schellinger, schepen en raad van Amsterdam, deze buitenplaats voor 5.000 gulden. Na zijn overlijden in 1772 verkoopt zijn dochter in 1784 de buitenplaats voor 31.500 gulden aan mr. Adriaan Gevers Deynoot. Nog in 1784 verkoopt hij Rhijnoord voor 30.000 gulden aan Jacob Staats van Hoogstraten. Deze verkoopt de buitenplaats in 1791 voor 35.000 gulden aan Nicolaas Willem Röell. (*2)

[afbeelding: het voorlaatste vers van het hoflied.]

Op ‘den 23 van den Hooimaand 1786’ brengt Paul Henry Marron (predikant van de Waalse kerk) zijn hoflied ‘Rhijnoord’ ten gehore aan ‘Mevrouwe Apollonia van Hoogstraten gebooren Van Eysden’ (de echtgenote van Jacob).
Op 13 april 1791 koopt Jacob van douarière Wilhelmina Alette Kien, erfgename van Jan Bouwens, baljuw en later burgemeester van Delft, in Voorburg: ”Een Buijtenplaets genaemt Rusthof bestaende in een Heerenhuijsing, Speelhuijs off Coepel, Menagerije, Stallinge, Koetshuijse, Thuijn en Boomgaard (…).”
Voorts nog een “Thuijnmans- en Orangehuijs, Thuijn en Houtbosch tusschen Heereweg en Agterweg, mitsgaders twee Crofften Weijland (…) wijders nog twee mergen Weij- of Hooijland (…).” Op 21 april 1807 verkoopt Jacob het door hem aangekochte in vrijwel ongewijzigde staat door aan Baron de Charmail uit Rotterdam. (*3)

In 1797 is Jacob mede-eigenaar van een huis aan de noordzijde van het Plein in ’s-Gravenhage, waarin later de “Witte Sociëteit” is gevestigd. Hij is voor het laten decoreren van muren in zijn huizen ook een van de opdrachtgevers van Hendrik Willem Schweickhardt, decoratieschilder.

Een overeenkomst in 1802
Op 8 juni 1802 sluiten Jacob van Hoogstraten, Heer van Berlicum, Middelrode en Caathoven, en het dorpsbestuur een overeenkomst om enkele processen over geschillen met betrekking tot gronden en bomen te voorkomen (*4). In deze overeenkomst wordt verwezen naar ‘eenige differenten ontstaan over het zogenaamt Brokven, gelegen binnen de gemeente van Berlicum, na bij de Roomsche Catholijke Kerk, ( …) en de daarop Staande Eijke Boomen’.
Deze eiken zijn al in 1749 geplant. Verder wordt verwezen naar ‘de Landerijen gelegen op het Laar, den Onderstal, grote en klijne Loffert, de plijn en eindelijk van alle de binnen Gemeentens gronden verkogt en binnen Berlicum gelegen’.
Het dorpsbestuur, vertegenwoordigd door de schepenen Piet van Doorn en Peter Piet Tibos en secretaris Nicolaas Middelkoop, is door de ‘Corpereele Vergadering’ van hun gemeente op 19 mei 1802 geautoriseerd om deze gronden en bomen aan te kopen.
De opbrengst voor Jacob is ‘Een honderd Negen en Tachtig guldens Zestien Stuivers en agt penningen’. Hij geeft tegelijkertijd ‘als liberale gift aan den Armen van Berlicum eene Somme van drie en dertig guldens’. De Armmeester Francis Antony Goyers neemt deze gift in ontvangst.

Jacob als reder
Jacob wordt, zodra zijn vader in 1759 zijn eerste schip koopt, op 23-jarige leeftijd medepartner van de Firma Gerrit van Hoogstraten & Zn. Inmiddels bezit zijn vader ook twee grote touwslagerijen aan de Vest in Dordrecht. De rederij breidt zich uit en ook de houthandel wordt ter hand genomen.
In 1762 is Jacob, na het overlijden van zijn vader, enig eigenaar van een grote vloot schepen. In 1783 wordt hij door de Verenigde Oost-Indische Compagnie (de V.O.C.) benaderd om - na het uitbreken van de 4e Engelse oorlog - zijn fluitschepen te verhuren voor de vaart naar Batavia.  In 1780 waren er al veel V.O.C.-schepen in beslag genomen en men kwam schepen te kort. Na deze periode blijft Jacob enkele schepen aan de V.O.C. verhuren.
In 1788 is Jacob mede-eigenaar van schepen, waaronder de Mariënbos. Frank van der Schoor, koopman en reder in Dordrecht, is de eigenaar van dit schip, dat dan geschikt is om naar Suriname te reizen. Het schip is vernoemd naar de koffieplantage Marienbosch in Suriname, die naar alle waarschijnlijkheid mede-eigendom is van de firma Gerrit van Hoogstraten & Zn. Op deze plantage aan de rivier Commewijne werken veel slaven. In 1794 trekt Jacob zich terug en wordt zijn firma Gerrit van Hoogstraten  & Zn een handelshuis (dat in naam tot 1920 blijft bestaan). Met diverse deelgenoten wordt dan gehandeld in graan, hout, zout en touw.

De rederij beschikt over ongeveer 25 zeeschepen, die voornamelijk naar de Middellandse Zee, de Oostzee en Scandinavië varen.

Het (fluit)schip ‘de Berlicum’ …
Het is in die tijd bij rijke kooplieden/reders in Dordrecht gebruikelijk om hun rijkdom te onderstrepen met het kopen van een landgoed, kasteel of Heerlijkheid met een bijbehorende titel. Jacob Staats van Hoogstraten doet dit met de aankoop van de Heerlijkheid Berlicum en Middelrode.
Een van zijn vrachtschepen vernoemt hij vervolgens naar zijn Heerlijkheid: ‘de Berlicum’ …! Het fluitschip weegt 846 ton, is ongeveer 140 voet lang en ongeveer 40 meter breed (*5).

[afbeelding: Dit is-het fluitschip ‘Dordrecht’, gelegen aan de Oude Maas in Dordrecht. Deze prent, eigendom van het Museum Huis van Gijn te Dordrecht, is gemaakt door Martinus Schouwman in 1793. Zo zal ‘de Berlicum’ eruit gezien hebben!]

Zeebrief
Om met het schip, dat contractueel wordt verhuurd aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) Kamer van Zeeland, te mogen varen, heeft Jacob een zeebrief van burgemeester en schepenen van Dordrecht nodig. Dit is een officieel document, dat altijd bij binnenkomst van een haven moet worden getoond.

Jacob verklaart dat alle gegevens, zoals de kenmerken van het schip, juist zijn en dat hij de enige eigenaar en reder van het schip is: ‘Zoo waarlijk helpe mij God almagtig’.
En ook de kapitein van ‘de Berlicum’, Frans Bremer uit Rotterdam, legt de eed af.
De tekst van de zeebrief luidt: “Den 8 April 1794 Gerrit van Hoogstraten en Zoon voor Frans Bremer van Rotterdam, ’t Schip Berlicum, groot 180 lasten. Eed gedaan.

[afbeelding: Registratie van de zeebrief voor het schip de Berlicum, gedateerd 8 april 1794.]

De eerste (en laatste) zeereis

Eind april begint vanuit het fort Rammekens (Zeeland) de eerste zeereis van het V.O.C.-schip ‘de Berlicum’. Kapitein Frans Bremer en ongeveer 37 bemanningsleden varen op 23 april 1794 eerst naar Texel en daarna naar Batavia en Ceylon (*6). Het schip ‘de Berlicum’ komt op 29 december 1794 in Saldanhabaaij (nabij Kaapstad) aan om voorraad in te nemen. Op grond van een verzoek aan de plaatselijke autoriteiten krijgt Frans Bremer gedaan dat het schip in verband met de oorlogsomstandigheden en de zuidoostelijke tegenwind op zee met ‘Water, Provisien en verdere behoeftens’ wordt bevoorraad voor vijf in plaats van drie maanden.
Op 3 februari 1795 vertrekt het schip weer en na drie maanden komt het op 15 mei 1795 in Batavia aan. Daar wordt zowel vracht gelost als vracht ingenomen en klaar gemaakt voor de reis naar Ceylon.

Inbeslagneming van ‘de Berlicum’
Bij het vertrek uit Batavia, tegelijk met andere schepen, is het op ‘de Berlicum’ nog niet bekend dat in september 1795 Engeland eenzijdig de 5e Engelse oorlog aan de Bataafse Republiek (Nederland) heeft verklaard. Intussen hebben de Engelsen de Hollandse kolonie Ceylon veroverd en wachten de Engelse marineschepen met spanning op hun buit: Hollandse V.O.C.-schepen! Een schip vertegenwoordigt al gauw een waarde van ongeveer f 126.000,--.
Op 15 februari 1796 komen de schepen in Ceylon aan. Zij worden meteen door de Engelse marine in beslag genomen en aan de ketting gelegd. De kapitein Frans Bremer en zijn bemanning worden gevangen genomen, de scheepspapieren worden ingenomen, de buit wordt getaxeerd en het gerecht bepaalt de verdeling van de buit.
Het schip en de lading worden verkocht en de kapitein, officieren en het scheepsvolk van het Engelse schip dat de buit in de wacht heeft gesleept, verdelen de opbrengst. Bij de oorlogsverklaring in september 1795 had de Koning van Engeland aan alle Engelse marineschepen een vrijbrief gegeven om de schepen van de vijand in beslag te nemen. Het is helaas niet bekend wat er na de inbeslagneming met ‘de Berlicum’ en zijn bemanning is gebeurd!

Overlijden van Jacob

Jacob overlijdt, 76 jaren oud, op maandag 1 maart 1813 te Den Haag.
Hij wordt in de Grote Kerk in Dordrecht ‘ter aarde besteld’.

[afbeelding: Overlijdensbericht uit de Feuille politique du département du Zuiderzee (Staatkundig dagblad van het Departement der Zuiderzee), van 05 maart 1813]

De beschrijving van de nalatenschap van Jacob en zijn vrouw Apolonia berust in het Archief van Huize Jaarsveld in Utrecht. (*7) Er bestaat ook een authentiek uittreksel uit het testament van het echtpaar, uit 1814, waarbij f 2000 wordt gelegateerd aan een weeshuis in Dordrecht, overigens met een uittreksel waarin dit legaat wordt herroepen (*8).
Jacob vermaakt zijn Heerlijkheid Berlicum aan zijn secretaris en rentmeester Jacob Meurs, geboren op 11 mei 1752 te ‘s-Hertogenbosch, zoon van Hendrik Meurs (koopman te ‘s-Hertogenbosch) en Helena Munnig (*9).
Jacob Meurs is ook secretaris van het dorp Sint-Michielsgestel. (*10)
En inderdaad wordt het vermoeden van Jacob Staats van Hoogstraten bevestigd: door de staatkundige ontwikkelingen als gevolg van de Franse revolutie en de daaruit voortvloeiende Staatsregeling van 1798 vervallen alle ‘heerlijke rechten’, zoals verbonden aan een Heerlijkheid. De Heerlijkheid van Berlicum en Middelrode houdt op te bestaan en wordt uiteindelijk een gemeente.
Jacob Staats van Hoogstraten, zijn Heerlijkheid en zijn fluitschip ‘de Berlicum’ zijn historie!

Noot:
Graag betuig ik mijn hartelijke dank aan mevrouw H.W.G. (Riek) van Blokland-Visser, historica/schrijfster studie regionale en lokale geschiedenis (zoals maritieme geschiedenis Dordrecht in de 18e eeuw) en aan haar studiegenote E. van Dooremalen voor het aanleveren van gegevens voor dit artikel.
Ook betuig ik mijn hartelijke dank aan Marcel van der Lans van de Historische Vereniging Voorburg voor het aanleveren van gegevens over Huize Rusthof (zie bij bron nummer 3)
.

Bronnen:
*1 Zie ‘Zwerftocht door het verleden van Berlicum’, deel II, blz. 496, 1984, W.v.d.Heijden.
*2 Zie voor gegevens Rhijnoord: www.buitenplaatseninnederland.nl.
*3 Zie voor gegevens Rusthof: Tijdschrift Historisch Voorburg, 4e jaargang, nummer 2, 1998, pag. 29/30; A.W. Vink, en Jaarboek Die Haghe 1903, Voorburgsche Buitenplaatsen, pag. 292/293, 346/347 en 410/411; Rusthof werd van 1848 tot 1883, bewoond door Prinses Marianne, dochter van koning Willem I.
*4 Zie BHIC, Archief Dorpsbestuur Berlicum 1567-1810, toegangsnummer 5034, inventarisnummer 44.
*5 De fluit was het meest voorkomende vrachtschip voor de Europese vaart van de 17e eeuw. De romp had een bolle vorm. Het schip had een simpele tuigage en kon dus volstaan met een kleine bemanning. In de grote laadruimte kon veel vracht worden meegenomen. De fluit was een zeer rendabel schip, dat zo een belangrijke bijdrage leverde aan de economische dominantie van de Republiek in de Gouden Eeuw.
*6 Batavia was toen de naam van de hoofdstad van Nederlands-Indië, het huidige Jakarta. Ceylon was toen de naam van het huidige Sri Lanka.
*7 Zie Utrechts Archief, Inventaris Archief Huis Jaarsveld, toegangsnummer 205, dossiernummer 61: Inventaris van de nalatenschappen van Jacob Staats van Hoogstraten en zijn vrouw Apolonia van Eijsden, 1813.
*8 Zie Regionaal Archief Dordrecht, Archief Verenigd arme en wees- en nieuw armhuis, toegangsnummer 18, dossiernummer 114.
*9 Zie ‘Zwerftocht door het verleden van Berlicum’, deel II, blz. 63 en 112/113, 1984, W.v.d.Heijden.
*10 Zie het artikel ‘Jacob Meurs, een dorpssecretaris in de Franse tijd’ van F.W. van Dommelen in Den Heertgang, tijdschrift van de Heemkundevereniging De Heerlijkheid Herlaar in Sint-Michielsgestel, jaargang 6, nummer 1, februari 2000, pag. 5 t/m 7.

(c) Papendrecht H.W.G. van Blokland-Visser, april-mei 2015.