Aanmelden | Contact
Zoeken

Dordrecht: criminele rol (Arij van de Winkel en Johannis Peters) 1796


Bron: Regionaal Archief Dordrecht
Toegang: 9
Inventarisnummer: 239 (criminele rollen van de hoofdofficier 1795-1797)

NB. toegang 9 is per 4-9-2014 vernummerd; het oude nummer van 239 was: 183.

Titel boek: Crimineele-Rolle van den Burger Paulus Knogh, Provisioneelen Bailliuw der Stad Dordrecht en de van de Merwede. Eerste Roll van 8 September 1795 tot 8 Junij 1797.

(een aantal pagina's uit deze bron)


18-10-1796 Hendrika Klettenberg huijsvrouw van Johannus Peters


(folio 78)

Paulus Knogh, Provisioneel Bailliuw der Stat Dordrecht, en van de Merwede Ratione Officie Eisscher in Cas Crimineel contra
Hendrika Klettenberg, Huijsvrouw van Johannus Peters thans Gevangene op den Raathuijze dezes Stat.


Alzo Hendrika Klettenberg, Huijsvrouw van Johannis Peters out Zo Zij Zegt 29 Jaren geboren binnen deze Stat en wonende met haar Man onder de Merwede even buiten deze Stat vrijwillig en Zonder Pijn van ijzer of banden heeft beleden en van Elders is gebleken. Dat haar Man dageliks Famillaar verkeerde met hare Buuren, maar Speciaal met Arij van de Winkel en Jacobus de Vroet, dat haar Man zeer dikwils 's nagts met Arij van de Winkel is uitgeweest, en dan gezegt heeft een vragtje Hout te gaan stelen ook wel dat zij gingen vissen. dat haar Man haar van tijt tot tijt allerleij Zoort van goederen tuijs bragt, zonder het niet precies te kunnen opgeven dat zij wel eens haar man hat gevraagt war hij aan dat goet kwam, dat die wel eens geantwoort hat, dat dit aan haar t zelve was, als zij het maar hat, dog dat hij Zomtijds wel gezegt heeft waar hij het gehaalt hat, dat zij wilt dat hij sie goederen gestolen hat, om dat hij het haar dikwils gezegt hat, en dat zij verscheiden malen als haar Man met Arij van de Winkel uit stelen zouden gaan gehoort heeft, dat zij met malkander overleg maakten waar te zullen gaan stelen.
Dat zij wanneer haar Man 's nagts uitging wist dat hij met Arij van de Winkel uit stelen ging

(folio 79)

dat zij niet kan bepalen hoe dikwils zulks wel is geweest omdat het zo menigvuldigmaal is gebeurt.
Dat zij met de vrouw van Arij van de Winkel als hun beiden Mans gestolen goet t(h)uijs bragten het zelven met behulp van hunne Mans hebben verdeelt in twee gelijke deelen, waar van ider eend eel na zig heeft genomen en als zijn eigendom heeft gebruikt.
Dat zij adt goet op den Best mogelikte wijze heeft geborgen en aan kant gemaakt dat zij met overleg van haar Man en zijn Complice de merken uit het Linnen goet dat door de Mans gestolen was, heeft uitgetarnt en uitgesneden ja zelfs de Hoeken van de Servetten heeft afgesneden alles met oogmerk om daar door te bemerken dat de Diverijen niet ontdekt zoude werden.
Dat zij een gedeelte van die gestolen goederen zelfs in haar Huis houden heeft gebruikt, van het Linnen goet voor haar haar Man en hare kinders ook voor een gedeelte heeft gebruik gemaakt, een gedeelte van alle de goederen heeft verkogt, een gedeelte in de Lombert heeft gebragt en laten brengen, en dat de daar voor ontvangen gelden zij in haar huijshouden heeft verteert.
Dat zij ook wist dat haar Man ook mede eens uit stelen is geweest met Arij van de Winkel, dat er Jan de Vroet bij was, en dat zij toen zo zij meent gestolen hebben een Span zaag, Een Bijl, en twee zethaken, dat zulks onder de drie Complices is gedeelt gewerden, Zo dat haar Man de Bijl heeft gehat, en dat zij als mede de Vrouw van Arij van de Winkel daar van ider nog drie stuijvers hebben gehat.
Dat er ook wel eens goet onverdeelt gehouden is geweest dat voor gemene rekening is verkogt of beleent gewerden en dat de daar van geprovenieerde gelden te zamen zijn verdeelt.
Dat zij verders heeft erkent, dat zij de behulpzame hant heeft geboden om het goet dat door haar

(folio 80)

Man was gestolen, aan een kant te helpen en dus dat zij bevorderlijk is geweest in het verstreken der Dieverijen en Heelster en mede pligtigen is geweest van die Dieverijen, en dat zij pooit alle hare handelwijze zig heeft schuldig gemaakt aan Directe Dieverijen, en daar door de Straffe heeft verdient, dier bij de wetten op het stelen en het bevordere van dezelve zijn gestelt.
Dat zij tot haar verschoning heeft ingebragt zulks uit armoede te hebben gedaan; en dat (door dien zij en haar Man Jan de Roomsche Kerk waren) zij van de Diaconie niet meerder dan een Schelling 's weeks trokt verzoekende dit bij den Rechter gunstig in het oog mag gehouden werden, en daarom verschoning verhoopt.
Dog daar uit al het bekende door haar blijkt dat de gevangene sig heeft schuldig gemaakt aan de behulpzame hant te bieden aan de gepleegde Dieverijen van haren Man, met de goederen met zijne Complice te vedelen, dezelve zo door verkopen in de Bank brengen als door het uittarnen en afsnijden der Merken, onbekentbaar te maken en aan een kant te helpen om langs dien weg te zorgen de gepleegde Dieverijen langer verholen te blijven en niet ontdekt werden, haar Man en hare kinderen van de gestole goederen heeft gekleet en voor de verkogte en beleende goederen haar huijshouden heeft gehouden, en dis de Dieverijen voor haar man en zijn Complice is bevorderlijk geweest en als Heelster van dezelve Jan als mede Complice heeft geageert en Zulks in een lant waar in voor de Publike Veijligheijt van een iders personen en goederen wert gewaakt, niet kan nog mag werden gepasseert, maar zonder enige de minste oogluijking ten allerstrengste dient te worden gestraft, zonder dat de Gevangene haar door

(folio 81)

hare voorgevende armoede daar van kan verschonen, of de door haar Regtmatige verdiende Straffe enigzints kan verminderen.
Zo concludeert den Eissr. R:O: Eisch doende en regt vragende op des gevangens Confessie uit Naam van het Volk van Hollant dat de Gevangene bij Vonnisse van deze kamer uit kragte van het Vierde artikul van het Placaat van de Staten van Hollant en(de) Westvrieslant van dato den 19 Maart 1614 tegens de Dieven en Dieverijen geëmaneert zal werden gecondemneert om gebragt te werden ter plaatse, alwar men binnen deze Stat gewoon is de Executie van Criminele Justitie te verrigten, en aldaar op een Schavot tot dat einde op te rigten, eerstelijk aan te zien, de Executie van Zodanige straffen, als waar toe de Man van haar Gevangene en Zijn Complice respectivelijk bij Vonnis van deze kamer Zullen werden gecondemneert, en welke Executie op den zelfden tijt en plaatze zal werden verrigt, en om Vervolgens wel Strengelijk met Roeden te worden gegeesselt, en voorts voor den tijt van tien eerstkomende en agter een volgende Jaren zal werden geconfineert in een Tugt Huijs binnen deze Provintie om aldaar met haar handen arbeit de kost te winnen, en na expiratie van dien tijt haar leven lang geduurende te werden gebannen uijt den Landen van Hollandt Zonder immer daar wederom in te mogen komen, op poene van zwaarder straffe, ofte tot zodanige andere straffen, als deze kamer in goede Justitie zal oordelen te behoren en tot eindelijk de gevange zal werden gecondemneert in de kosten van den Processe mitsgaders

(folio 82)

in de kosten en Misen van de Justitie.
De kamere gezien en geexamineerd hebbende de crimineele Eisch en conclusie door ofte van wegens de Eisscher Ratione Officii, op en jegens de gevange gedaan en genomen, midsgaders de confessie van de gevange en voords gelet, waar op in dezen te letten stonde, ende eenigsints konde ofte mogte moveren, doende Recht in naam en van wegens het Volk van Holland, confineere de gevange voor den tijd van twee Jaren in een Tugthuijs binnen deze Provintie, om aldaar met harer handen arbeid de kost te winnen, en bandt voors een expiratie van voors: confinement de gevange voor den tijd van Tien als dan eerstkomende en agtereenvolgende Jaren uit den Lande van Holland zonder gedurende die tijd, daar inne te mogen komen op poene van zwaardere straffe, ontzegt wijders aan den Eischer Ratione Officii, zijnen verderen of anderen Eisch en conclusie, tegens de gevange gedaan en genomen en condemneert niet te min de gevange in de kosten van den Processe, midsgaders in de kosten en misen van de Justitie.
Aldus gedaan en gearresteert den 18 October 1796 present alle de Schepenen en gepronuntieerd den 20 October 1796 present alle de Schepenen. (Sine Bones; N.H. Vrijthoff, François Beudt)

Laatst gewijzigd: november 2014