Aanmelden | Contact
Doorzoek de bronnen

Fragment uit 'Familiegeschiedenis "Aan mijn zonen" van Louis Kraemer' (1926) over de familie Haver Droeze


Bron: handschrift Louis Kraemer (1926), dat in bezit is van de familie Kraemer (dit fragment heb ik gekregen van F. Haver Droeze).


Familiegeschiedenis Haver Droeze in de 18e en 19e eeuw

(Uit: Familiegeschiedenis “Aan mijn zonen” van Louis Kraemer, handschrift uit 1926.)
(noot: Het gaat om professor F.J.L. Kraemer (1850-1928), zoon van Anna Roza Haver Droeze en gehuwd met zijn nicht Maria Elizabeth Haver Droeze.)


Aangaande de familie Haver Droeze kan ik tot mijn spijt geen volledige noch volkomen zekere inlichtingen geven. In het Dordrechtsche archief heeft men wel het een en ander gevonden, maar toch ben ik met mijn onderzoek vast gelopen. De oorzaak daarvan is dat de eerste Droeze, die te Dordrecht gewoond heeft, de zoon genoemd wordt van Paulus Droeze van Arnhem en de archivaris van het Rijksarchief aldaar, Dr. van Veen, alsmede de hoofdcommies op de stedelijke secretarie Van Hogerlinden, die ik beiden persoonlijk ken, ondanks hun nauwkeurig nazoeken van alle mogelijke registers, er niet in slaagden een persoon van den naam Droeze, of Droezen of Droesen, zoals de naam op den klank af in de Dordsche registers gespeld staat in de geboorte-doop- en huwelijksregisters, evenmin als in de lijsten der Arnhemsche burgers of die der gilden, te ontdekken. Ofschoon ik overtuigd ben dat het een Duitsche naam is: Dröse/Droeze, kan ik het niet bewijzen.

Ik moet dus maar beginnen bij Johannes Droeze, Paulus’ zoon, die in 1735 te Dordrecht trouwde met Gola Droog, de dochter van zijn associé, wonende bij de Lombardbrug. Welke hun zaak of welk hun bedrijf was kan ik niet zeggen. In 1749 huwde hij voor de tweede maal, maar had uit zijn eerste [noot: In feite gaat het om een zoon uit het tweede huwelijk met Jacoba Steenhuijzen.] huwelijk een zoon, mede Johannes genaamd, die in 1774 in het huwelijk trad met Catharina Seltzam, van Leiden. Zij was de dochter van Johan Michael Seltzam, geboorte van Altenschönbach in Frankenland, waar hij in particuliere dienstbetrekking geweest was bij een adellijke familie. In 1734 was hij naar Nederland getrokken en trad daar, waarschijnlijk te Leiden, in het huwelijk met Elisabeth Slijk. Hij schijnt veel ouder geweest te zijn dan zijn vrouw, want na zijn dood – ik weet niet in welk jaar- huwde zijn weduwe in 1761 in tweeden echt met Johann Friedrich Haver, geboren te Schwerte in Westfalen in 1735, zodat hij bij zijn huwelijk pas 26 jaar was, dus nog een jongeman. Hij was Doctor in de medicijnen en chirurgijn te Leiden. Uit zijn huwelijk werden twee zonen geboren, Gotfried Casparus, geboren in 1762, en Johannes Casparus, geboren in 1763, maar beiden overleden jong: de oudste denkelijk reeds als kind, de jongste, ook Medisch Doctor te Leiden geworden, in 1793, dus 30 jaar oud.

Die mevrouw Haver, geboren Slijk, was dus de moeder van Catharina Elisabeth Seltsam, die in 1774 met Johannes Droeze trouwde.
Wat die Johannes Droeze was weet ik niet. Ik meen in mijn jeugd gehoord te hebben dat hij chirurg was, hetgeen verklaren zou dat mijn grootvader (de zoon van die Johannes) ook voor chirurg werd opgeleid en het eerste onderricht daartoe ontving, deels misschien van zijn vader, maar zeker van de chirurg A. Pesant te Strijen niet ver van Dordrecht. Ook mijn grootvader’s biograaf Van den Kieboom zegt dat diens vader chirurg was. Uit Dordrecht heb ik zeer onbevredigende inlichtingen gekregen, uit Leiden daarentegen zeer nauwkeurige. Ik kan dus van Johannes Droeze en zijn vrouw Catharina Elisabeth Seltsam alleen zeggen dat zij 3 zoons hadden:

1e Johannes Jacobus, geboren in 1775, die een bekend chirurg in Leiden werd en daar ongehuwd overleden is;

2e Dorus, wiens geboortejaar ik niet ken en die eveneens ongehuwd overleden is;

3e mijn grootvader en ook die van Maria, Frederik Jan, geboren 6 Juni 1779.

Dochters waren er zeker twee: de eene , bekend als “tante van Dalen” overleden te Leiden in 1850 – haar doodsbericht (van Prof. Verdam) ligt nog onder mijn papieren bewaard – een tweede die met een heer Hagen getrouwd is geweest. Wat die heren van Dalen en Hagen waren heb ik niet kunnen opsporen. Die tante van Dalen heeft, voor zoover ik weet, geen kinderen gehad, wel haar zuster, want Roosje Hagen was mijn moeders volle nicht. Hare ouders waren vroeg overleden en daardoor woonde zij en werd zij opgevoed door haar ongehuwde oom Johannes Jacobus, de chirurg, op de Breestraat, van waar zij nog bijna door een student-losbol geschaakt werd! Zij trouwde met Professor Gideon Jan Verdam, destijds nog ingenieur, en kreeg twee zonen, die beiden overleden zijn op vrij jonge leeftijd: de oudste was een vlug, maar lichtzinnig jongeman, met 12 ambachten en 13 ongelukken; de jongste was een degelijk maar lichamelijk zwak persoon en stierf tot bitter verdriet van zijn ouders, vooral van zijn ziekelijke vader, wiens dood er door verhaast werd. De eenige dochter Pauline was de eerste vrouw van Professor Vredemans te Utrecht.

Er moet nog een zuster van Johannes Droeze of van zijn vrouw Catharina Seltsam zijn geweest, want hun zoon (mijn grootvader ) had tot voogd zijn oom Dr. Regenbogen te Noordwijk, die hem ook mede opvoedde. Dat zou aldaar (op de secretarie) nog na te speuren zijn. Ook die Dr. Regenbogen is stellig naar zijn naam te oordelen een Duitscher geweest. De beide ouders van mijn grootvader zijn blijkbaar vroeg overleden en toen hebben de grootmoeder (Slijk) en haar tweede man (Dr Haver) zich over de kinderen ontfermd, misschien ook die Dr Regenbogen.

Zoo kwamen de jongens te Leiden terecht, d.i. Johannes Jacobus en Frederik Jan, in de stad dus waar hun grootouders Seltsam hadden gewoond en als mevrouw Haver nog woonde. Dr. Haver, wiens zonen overleden waren, nam toen mijn grootvader als zoon aan op voorwaarde dat hij dan de naam Haver bij de zijne zou voegen; een familie legende verhaalt dat hij daarvoor f 100.000 kreeg. Van mijn moeder heb ik daar nooit van gehoord. Misschien heeft hij ze als Dr. Haver’s erfgenaam gekregen?

De beide broeders studeerden voor chirurg, door een examen in de heelkunde af te leggen voor de toenmalige provinciale commissie. De oudste deed dat zeker nog voor het einde van de eeuw. In 1802 werd hij “honoris causa”/ eershalve als student ingeschreven, d.i. waarschijnlijk zonder betaling van collegegelden en denkelijk om hem gelegenheid te geven om kosteloos enkele lessen van hoogleeraren en ook hunnen kliniekers bij te wonen.

Zijn jongere broer (mijn grootvader) werd in het geheel niet ingeschreven, maar studeerde toch volgens zijn biograaf (in de Algemeene Kunst en Letterbode 1850), onder de professoren Landifort, Dupui en Oosterdijk, en werd in 1799 tot heelmeester bevorderd. Daarna studeerde hij nog 1 ½ jaar onder de beroemde Dupuytren te Parijs en was daar met dien grooten geleerde zeer bevriend. Na zijn terugkomst in 1801 legde hij ook zijn examen in de verloskunde af en vestigde zich ook in Leiden, maar werd reeds in 1802 beroepen tot lector in de ontleed- en heelkunde te Dordrecht. Hij kreeg een grooten naam en werd achtereenvolgens lid van de commissie van geneeskundig bestuur (1802), examinator in de heelkunde (1803), secretaris van de departementale commissie van geneeskundig toezicht, chirurgijn van de gevangenissen (1811), lid van de plaatselijke commissie van geneeskundig toezicht (1823), heelmeester van het Sacramentsgasthuis (1828) en was sinds 1811 ook chirurgijn-majoor van de Schutterij. In 1809 werd hij beroepen tot professor te Franeker, daarna te Amsterdam, maar hij weigerde. In 1804 was hij bekroond met een gouden medaille voor een verhandeling over de breuksnede, in 1822 werd hij het eveneens met een grote gouden medaille door het Provinciaal Utrechtsche genootschap van K en W voor een verhandeling over den kanker. Hij was lid of erelid van verschillende geleerde genootschappen. o.a. ook te Brugge.

Den 18e Mei 1850 overleed hij op bijna 71 jarige leeftijd aan een beroerte die hem in 1843 had getroffen. Tot dien tijd toe had hij zijn hoogst werkzame leven voortgezet zonder noemenswaardige verpoozing, tenzij een enkele maal een tocht per rijtuig door Gelderland, of per vaartuig, ik weet niet meer waarheen. Maar sinds de dood van zijn oudste zoon was hij niet meer de krachtige man geweest van vroeger.

Hij was in 1806 gehuwd met Anna Cornelia Gerarda ’t Hooft, door toeval met haar in kennis gekomen: toen haar een kies zou worden getrokken was de operateur zoo onhandig dat hij met zijn Engelschen sleutel waarmede destijds de kiezen werden uitgewrikt of uitgebroken, ook de tong greep, hetgeen de patiente in haar ondragelijke pijn den man de sleutel uit de hand deed slaan. Natuurlijk werd hij voor zijn verdere diensten bedankt, mijn grootvader werd geroepen en niet lang daarna was zijn patiente zijn vrouw. Zij is vroeg overleden, reeds in 1826, tegelijk met een harer twaalf kinderen, van welke er trouwens reeds zeven tevoren waren gestorven; waaraan zij zoo vroeg bezweek weet ik niet. Zij was de dochter van den heer Thomas ’t Hooft, naar ik meen eigenaar van een der vele oliemolens langs den dijk of weg naar ’s Gravendeel: er stonden om Dordt heen 99 molens en men beweerde dat, zoodra een 100e bijgebouwd werd, een van de 99 anderen afbrandde.

Er leefden volgens het jaarboekje “Nederlands Patriarchaat” te Dordrecht twee geslachten ’t Hooft, tussen welke men geen verwantschap had kunnen ontdekken. Zelf weet ik ook wel dat er ’t Hoofters waren die met mijn moeder niet verwant waren en evenmin met de familie ’t Hooft van Benthuizen, die mijn moeder nog groette als “nicht”. En toch komen er in dat andere geslacht ’t Hooft dezelfde voornamen voor, van mannen en van vrouwen, en bovendien is het wapen volmaakt hetzelfde. Ik weet dus weinig en kan zelfs den bekenden admiraal Willem ’t Hooft, die in 1860 te Dordrecht begraven werd, niet thuis brengen. Ik weet dus niet meer dan dat mijn overgrootvader Thomas ’t Hooft de zoon was van Dr. Willem ’t Hooft, dat hij gehuwd was met de weduwe van Oldenburgh en dat hij leefde van 1744 tot 1832. Dat bleek mij uit mijn familiepapieren, vooral boedelbeschrijvingen. En, zoals ik schreef, zijn oudste dochter Anna werd mijn grootvaders vrouw.

Mijn moeder zal zeker een zware taak gehad hebben toen zij in 1826 als 17-jarig jong meisje de leiding op zich moest nemen van de huishouding, d.w.z. ook van hare drie broers, jongens van 15, 10 en 8 jaar wier vader wegens zijn vele ambtelijke bezigheden, zijn zeer drukke praktijk en talrijke consulten en operaties, zelden thuis was. Wel was Dordrecht klein – in mijn jeugd had het nog maar 25000 inwoners – maar toch moest mijn grootvader rijtuig houden, vooral zeker voor de buitenpraktijk in het eiland en de welvarende oorden aan den overkant der rivier. Maar rijk was de stad ook, door de belangrijke handel in graan, hout, stokvisch, vooral op den Rijn en op Noorwegen en de Oostzee, alsook door de twee grote scheepstimmerwerken: ik zag daar nog zeeschepen bouwen en afloopen, o.a. de Kaiyomaru, het eerste Japansche oorlogschip. Dat alles is tegenwoordig verdwenen.

Zo was mijn moeder meestal alleen in dat reusachtige huis op de Voorstraat – thans een confectiemagazijn – met de tuin mee 1145 c.a. groot. Ons huis op het Predikheerenkerkhof was, met tuin en stal er bijgerekend, 445 c.a.!

Waar mijn moeder onderwijs ontving is mij niet bekend. Ook waar de broeders school gingen weet ik niet. Ik was pas 24 jaar toen mijn moeder en ook mama’s vader overleden en geen van beiden vertelden veel van hun kinderjaren. Mama wist nog het een en ander van den ouden tijd door haar moeder, maar weinig en uit de tweede hand. Mijn moeder werd zeven maal ten huwelijk gevraagd, maar sloeg alle aanzoeken af, om welke reden weet ik niet. Er waren toch zeer aannemelijke pretendenten onder de zeven; een van hen heeft mijn moeder mij nog gewezen toen zij hem toevallig in de eetzaal van de Rotterdamsche diergaarde zag zitten, waar hij, evenals wij, dejeuneerde: een zeer deftig heer van – evenals mijn moeder – tussen de 50 en 60 jaar. Hij was ook van deftige familie. Wat ook de reden geweest zij, mijn moeder trouwde niet voor 1844, toen zij dus 35 jaar oud was: ik heb daarover reeds het een en ander gezegd in hetgeen ik van mijn vader vermeldde.

Haar broeders waren toen niet meer in het ouderlijke huis: de oudste, Thomas, die officier van gezondheid werd, overleed reeds in 1842 aan een abces in de zijde (longvlies?) waarvan hij in dezen tijd waarschijnlijk wel door een operatie zou zijn bevrijd en genezen, maar die was destijds zeker te gevaarlijk, werd zelfs als dodelijk geoordeeld. De beide jongere broers waren in 1835 en 1836 naar de Academie te Leiden gegaan, zodat mijn grootvader in 1844 alleen bleef met een dienstbode van middelbare leeftijd, Hendrika of Heintje Gardenier, die danig gebruik maakte van hare soevereine positie in mijn grootvaders huis, vooral sedert hij de beroerte had gehad, die hem de twee laatste jaren van zijn leven bedlegerig maakte. Zij kreeg nog een legaat van mijn grootvader, namelijk de rente van 4000, die zoowat 25 jaar later door mijn neef Johan Droeze (Dr. te Dordt) en mij na Heintjes dood onder de rechthebbenden zijn verdeeld.

In 1860 verkocht mijn moeder het groote huis op de Voorstraat en huurde een veel kleiner in de Wijnstraat, op de hoek van de Wijnbrug, dat zij later weer verliet omdat in 1863 mijn broer naar de Militaire Academie was gegaan en in 1867, toen hij Officier werd, ook ik Dordrecht verliet om naar de Academie te Utrecht te gaan. Zij woonde sindsdien op een aardig bovenhuis op de Groenmarkt tot 1871 en ging toen gezondheidshalve eerst voor een zomer, vervolgens voorgoed, naar Baarn, maar haar verblijf aldaar duurde slechts kort: den 20e November 1874 overleed zij aan een beroerte en werd den 25e juist op haar verjaardag begraven. Zij rust dus te Baarn, waar in 1880 ook mijn broer werd bijgezet in het door ons gekochte graf, dat door de beide namen op de deksteen gemakkelijk is te vinden. Het wordt nu al 52 jaar dat mijn moeder op haar 65e verjaardag begraven werd, zoals eerstdaags voor 2 jaar Maria op haar trouwdag.

Mijn moeders tweede broeder Frits/Frederik Jan, Maria’s vader, studeerde en promoveerde regelmatig – alleen een poos opgehouden door een hoogst ernstige aanval van typhus, die hem op de rand van het graf bracht. Hij promoveerde den 23e Januari 1842 op een dissertatie over phrenitis (hersenontsteking) en vestigde zich als doctor te Gorinchem en huwde met mejuffrouw Verbrugge uit Leiden. Achter elkander werden oom Frits (later mijn schoonvader) en zijn vrouw vrij spoedig acht kinderen geboren, van welke er een, een zoontje, jong stierf aan phrenitis. Hij toonde zich bij verschillende gelegenheden een zeer bekwaam doctor en heeft zich in het bijzonder onderscheiden bij een cholera-epidemie die tot tweemaal toe in 1854 en in 1863 de stad teisterde, waar hij als stadsdoctor met eigen levensgevaar de armste wijken bezocht, waarvoor hij door de Gemeenteraad onderscheidelijk uit waardering en erkentelijkheid werd begiftigd in 1854 met een bokaal op zilveren voet en in 1863 met een gouden potloodhouder met inscriptie. Ook was hij vele jaren lid van de raad en wethouder. Hij stierf in 1874.

Grootvaders derde zoon, “Oom Jan” zoals hij bij ons genoemd werd (Johannes Jacobus), heeft grootvader nogal zorg gebaard. Hij was student in de theologie, maar leidde een zo loszinnig leven dat zijn vader hem thuis moest laten komen, m.a.w. hem deed sjeezen. Hij is “bekeerd tot een braaf en fatsoenlijk man” zoals Piet Paaltjes zei. Onder de ogen van zijn vader en onder de leiding van de heer Van der Meer de Wijs bereidde hij zich voor te Dordrecht voor het examen als apotheker, huwde een van Van der Meer’s dochters, Margaretha Jacoba, gewoonlijk Helen genoemd, en vestigde zich te Vlaardingen in een apotheek die zijn vader had overgenomen, d.i. gekocht. Hij dreef die enige jaren met goed gevolg, tot een paar jaren na grootvaders dood, in of omstreeks 1852, het ongeluk wilde dat in den nacht zijn provisor zich bij het gereedmaken van een geneesmiddel voor een zware zieke vergiste en de lijder dientengevolge bezweek. Het vertrouwen was natuurlijk weg, de apotheek verliep en oom Jan ging te Dordrecht in het huis waar mijn ouders hadden gewoond en ik geboren ben (bij de Vriezepoort) rentenieren. Mijn ouders hadden toen het grote huis van grootvader op de Voorstraat betrokken, tussen de Lombardbrug en de Vischbrug.

Een paar malen heeft oom Jan nog beproefd een ambt te krijgen, o.a. van ontvanger, maar vergeefs; hij had alleen zitting in een paar besturen, kerkeraad o.a. en Hulpbank, en leefdde rustig voort tot het einde. Waaraan oom Jan en tante Helen overleden zijn weet ik niet, Na het overlijden van mijn moeder in 1874 heb ik weinig meer van hen gehoord. Alleen mijn goeden neef Roo, de Officier-leeraar, heb ik nog eenmaal ontmoet te zijnen huize in den Haag.

Van het gezin van mijn oom en schoonvader dus van Maria’s broeders en zusters behoef ik niet te spreken: gij zijt hiervan geheel op de hoogte. Oom Frits is 5 jaar geleden gestorven als Commies der Telegraphie; Oom Johan is al verscheidene jaren overleden als candidaat notaris. Zijn gezin woont nog in Den Haag. Van de drie ongehuwde tantes leeft alleen tante Louise nog, ook zij woont nog in Den Haag. Oom Willem overleed reeds in 1903. Eerst een jaar scheepsklerk, daarna cadet aan de Militaire Academie waarvoor hij slaagde bij de genie, maar trof ongelukkig een dwaze proef van een Minister “dat de studie aldaar in plaats van in 4 jaar wel in 2 jaar zou kunnen worden volbracht!” welke proef dan ook geheel mislukte, want maar zeer enkelen konden daaraan voldoen, zodat ook Oom Willem naar de Infanterie moest overgaan. Hij ging dus als Infanterie Officier naar Indië, maar had daar het ongeluk op een geforceerde marsch een zonnesteek op te lopen, die dermate op zijn hersens werkte dat hij eerst met ziekteverlof naar Holland, aldaar spoedig gepensioneerd moest worden, en na vel, e jaren verpleegd te zijn te Gheel, aldaar overleed in 1903 zonder ook maar enigszins hersteld te zijn.

Zo is het gehele Gorcumsche gezin, op tante Louise na, reeds weg, en tante Marie en ik vertegenwoordigen alleen het verleden.

Oom Jan liet drie zonen na, waarvan vooral de oudste (ook Frederik Jan) een schitterende carrière maakte. Hij slaagde met nr. 1 voor de Genie aan de M.A., ging als Officier van de Genie eerst nog in Holland, later naar Indië, na alvorens onder de Franschen een expeditie in Algiers te hebben meegemaakt. Als Majoor belast met het ontwerpen eener nieuwe legerorganisatie ondervond hij tegenwerking en nam zijn ontslag. In Holland terug werd hij terstond benoemd tot consul in Djeddah, later consul-generaal in Hong Kong, eindelijk ook gezant in China, maar hij overleed nog voor hij als zodanig daarheen kon reizen aan Indische spruw. In zijn levensbeschrijving (zie encyclopaedie van Winkler Prins) wordt hij hoog geprezen.

Op een zijner reizen ontmoette en trouwde hij op lateren leeftijd een Franschen dame (Marie Galfré) die nog in Hilversum woont. Hij liet een zoon en een dochter na, van wie U bekend kan zijn dat de dochter later trouwde met een rijken boterfabrikant (Dudok van Heel) en de zoon geplaatst is als procuratiehouder bij Philips te Eindhoven.

Zijn broer Jacobus werd Officier bij de Infanterie, deed, niet met vrijstelling van het toelatingsexamen, die slechts aan twee personen verleend werd, zijne examens aan de Universiteit te Leiden en promoveerde aldaar in de scheikunde, in welk vak hij, na zijn ontslag uit de militaire dienst te hebben genomen, eerst als leeraar aan de HBS te Samaring, en later om gezondheidsredenen naar Holland geretourneerd in Den Haag als zodanig werd geplaatst, en overleed aldaar vroeg en onverwacht. Hij huwde met mejuffrouw Walewijn, die nog in Den Haag woont, bekend als nicht Helene; hij liet een zoon en een dochter na. De zoon, die schilder is, is getrouwd, woont eveneens in Den Haag en heeft eene dochter die getrouwd is met een schilder Butter.

Oom Jan’s derde zoon is doctor in de medicijnen geworden en vestigde zich te Dordrecht, waar hij jarenlang zeer gewaardeerd en bemind was, Ook hij werd menigmaal elders in consult geroepen en had vooral naam als zenuwarts. Op lateren leeftijd huwde hij met mejuffrouw Kersten, welke dame thans eveneens in Den Haag woont. Oom Jan’s dochter Dionyse is op haar 18e jaar gestorven aan tuberculose.

Laatst gewijzigd: april 2026.