Aanmelden | Contact
Zoeken

Dordrecht: akten stads krankzinnig- en beterhuis ('het Blauwhuis') 1761-1786


Bron: Regionaal Archief Dordrecht
Toegang: 22 Geneeskundig gesticht voor krankzinnigen, voorheen het Stads krankzinnig- en beterhuis geheten
Inventarisnummer: 483 1761-1786 (Akten waarbij door de daartoe bevoegde autoriteiten machtiging wordt verleend tot het opsluiten, het verlengen van de opsluiting of het ontslaan van patiënten)

(titel stapel 1) 1e Pacquet - Appoinctementen en Resolutien van Confinement van binnen de Stad lopende van 1763 tot 1794 incl. voor het Krankzinnig en beterhuis.


19-09-1783 Godefridus Benjamin van Bronkhorst van Utrecht


(Tromer) Heeren Schout en Scheepenen der Stadt Heusden, gezien en geExamineert hebbende deeze geannexeerde Requeste en geannexeerde en daar bij overgegeven Missivens, Door Jan Leonard van Bronkhorst &a, aan haar Edele Achtbaare gepresenteert, houdende versoek om Haaren broeder Godefridus Benjamin van Bronkhorst van Utrecht die volgens ons Appoinctement dato den 29ste Sepetmber 17c Neegen en Zeeventig tot Dordrecht in het zoogenaamde Blauwhuijs was geconfineert bij Provisie nog voor Een Jaar te doen Continueeren, in de verseekerde bewaaring aldaar;
Waar op gedelibereert zijnde hebben Wij goedgevonden en verstaan, in der Supplianten versoek in zoo verre te Consenteeren, dat aan dezelve werde geaccordeert omme tot Eersten Meij van den aanstaande Jaare 17c Vier en Taggentig met het Confinement van der Supplianten Broeder Godefridus Benjamin van Bronkhorst van Utrecht in het gemelde sogenaamde Blauwhuijs binnen de Stad Dordrecht te Continueeren; vermeenende hier meede aand e Supplianten geleegenheid zal werden gegeven omme derselver intentie ontrent gemelde Haaren broeder inmiddels te zullen konnen Geëffectueert krijgen, En dat Intuschen tusschen de Supplianten en gemelde Haren Broeder Zodanige Schikkingen zullen werden ebraamt waardoor aan ons ten spoedigste geleegenheid zal konnen werden gegeven, Omme opgemelde Confinement dadelijk te konnen opheffen en buiten Effect stellen, Zo als het behoort. En waar meede aan den Inhoud der Missive bij Ons van de Edele groot Achtbaare Heeren Burgermeester en die van den Gerechte der Stad Dordrecht Ontfangen, Dagelijk zal zijn beandwoort.
Actum ter vergadering Op den Raadhuijze heeden deesen 19 September 1783 Present al, Ter Ordonnantie van dezelve T:C: Tromer.

(De Requeste en geannexheerde brieven geregistreert in Resolutie van heeren Schout en Scheepenen van Heusden van den 19 September 1783 in den selve boek beginnende met den jaare 1782 N. 3 en aldaar 27vs en vervolgen)(Tromer)
Aan de Edele Achtbare Heeren Schout en Scheepenen der Stad Heusden.
Geven Reverentelijk te Kennen Jan Leonard van Bronkhorst, Lieutenant in het Regiment van den Heere Prince van Saxen Gotha, Jacob Engelbert van Bronkhorst, Lieutenant in het Regiment van den Heer Generaal Major Grave van Bijland, Samuel Joan Renaud, Predikant in de Walsche gemeente te Leeuwarden, als in huwelijk hebbende Wilhelmina Berendina van Bronkhorst, Christoffel Rietvelt, oud Scheepen dezer Stede, als in huwelijk hebbende Henrietta van Bronkhorst, Mr. Petrus Brandsma, ordinaris Raad in den Hove Provintiaal van Vriesland, als in Huwelijk hebbende Anna Odilia Catharina van Bronkhorst, Paulus Cornelis Hoijnck van Papendrecht, Auditeur Militair en Serviesmeester van het Guarnizoen dezer Stede, en Philippus Barhtolomeus Clavel, in qualiteit als Voogden over Anthonij Wijnand van Bronkhorst, Vaandrig in het Regiment van den Heere Prince van Nassau Weilburg.
Dat de Supplianten, tot haare overgroote droefheid, omtrent vier Jaaren geleeden, zig bij Requeste aan U Edl Achtbare hebben geadresseert, en daar bij te kennen geegven, de slegte conduites van haaren Broeder, Godefridus Benjamin van Bronkhorst van Utrecht, welk slegt gedrag zoo verre heeft gegaan, dat Uedel Achtbare op de Suppplicatie van de Supplianten aan dezelve hebben verleend Auctorisatie om hem te brengen op een versekerde plaats binnen de Stad Dordrecht op den Heer Substitut Drossaard dezer Stede gelijk denzelven dan ook op den 30e Setpember 1779 derwaards is overgebragt.
Dat de Supplianten zig geflatteert hadden dat voornoemde haren Broeder zig zoude hebben gebeterd, en geresolveert hebben na bekomen ontslag, van hier na Oostindie te vertrekken, en aldaar zijn Fortuin te zoeken nadien hij door zijn verquistende Levenswijze zijn moederlijke en vaderlijke Erffportie heeft verteerd, en dus een last voor de Familie is geworden, waaromme de Supplianten door den laasten Suppliant aan gemelde haaren Broeder over eenigen tijd een brieff hebben laten Schrijven, en daar bij aan hem voorgesteld dat in Cas men Resolveerde, om zijn ontslag te versoeken, hij als dan behoorde te resolveeren om na Oostindien te vertrekken met offerte om het een off ander baantje voor hem te besolliciteeren en de nodige uitrusting aan hem te versorgen.
Dat hij daar op antwoordende het zelve niet alleen heeft gedeclineert in zeer bittere en voor de gantsche Familie seer ladierende uitdrukkingen maar ook quasi zijn voormaals gehouden gedrag tragtende, en zoekende te Justificeren, zig met ontziet ten bewijze van zijne nog aanhoudende verkwistende manier van denken in quasi ter nederlegging, dat hij zijn geld verteerd, en schulden gemaakt had te zeggen Cavaillerement dat het zijn geld was, daar hij van geleeft had en dat het zijn familie niet raakte, dat hij schulden gemaakt had!
Dat daar uit ten klaarsten blijkt dat hem het behoud van sijn voorouderlijk Erfgoed weinig ter harte gaat, en dat zijn Familie al nog gegronde Vrees heeft, om van zijn verkwistende aard geen beterschap te wagten off iets goeds te hoopen.
Dat het wel een waarheid is, dat, hij nu weder te voorschijn komt met een Schoon schijnend pretext van na de Westindien te willen vertrekken, en aldaar zijn Fortuin te tragten te maken, dog een pretext waar van men UEdel Achtbare kan verzekeren, dat hij reeds in den Jaare 1775 met een grooten opheff gebruik heefft gemaakt, en onder faveur van het welk met de verbloemde benaming, dat hij tot bevordering off verdere bevordering zijner affaires geld nodig had, hij van desselfs Heer Vader ter Leen heeft weeten te bekomen een Somma van dertien hondert Guldens, maar het welk geen ander uitwerking heeft gehad, dan dat hij de gemelde geleende Somma met het geen hem ter dier tijd verder is gegeven, bij uitkoop van sijn Moeders goederen en afkoop van eenige pretensien te samen beloopende een Somma van tusschen de vier a vijff duizend Guldens onnuttelik heeft verkwist, zonder dat er iets is geworden van dat fraaje voorwendsel om in de Westindien sijn Fortuin te gaan pousteeren gelijke hij dan nu ook nog, door sliepen in intrigues om sijn waare oogmerken te ontreijnsen, en in zijn schoonschijnende voorwendzels niet agterhaald te worden, de voorzigtigheid gebruikt zijn vertrekt na de Westindien te verschuijven en te accroiheren van die tijd, dat hij een schikking met sijn Crediteuren soude hebben gemaakt, het welk apparant nimmer geschieden sal, nadien daar toe notoir geld noodig sal zijn het welk de Supplianten niet kunnen uitreekenen waar hij van daan krijgen sal, voor al dewijl hij in den Jaare 1775, toen hij, gelijk zoo even is gemeld meester was van een Somma van tusschen de vier a Vijff duijzend guldens, buijten staat is geweest, om zijn quasi soo seer begeerde reijze na de Westindien te voltrokken.
Dat dus de onwaarschijnlijkheid van dit in den eersten opslag soo mooij voorkomend pretext, ten duijdelijkste blijkende (het welk de Supplianten vertrouwen van alle de verdere voorgeevens van hunnen gemelden broeder te kunnen doen zien in dien dezelve van eenige ingrefsie bij UEdel Achtbare mogten zijn en zij daar op mogten gehoord worden) twee van de Supplianten vernoomen hebbende, dat hunnen gemelden Broeder door zulke in diergelijke abusive voorwendzels, Heeren Comissarissen te Dordrecht had weeten te beweegen, om van UEdel. Achtbare ten zijnen faveure te Schrijven, geen zwarigheid hebben gemaakt, om in Persoon na Dordrecht te vertrekken, en aldaar de zaken in hun waare dagligt voor te stellen, met dat wel verwagt Succes, dat de Supplianten de toezegging hebben bekomen dat, ingevalle UEdel Achtbare mogten goedvinden de Continuatie van het Confinement van bovengemlde hunnen Broeder Godefridus Benjamin van Bronkhorst van Utrecht nog voor een bepaalden tijd te accordeeren dien aangaande geen oppositie door de Magistraat vavn Dordrecht soude worden gemaakt.
Weshalven de Supplianten zig wederom keeren tot UEdel Achtbare ootmoedelijk versoekende uEdel Achtbarens Speciale auctorisatie, waar bij het Confinement van voornoemde Godefridus Benjamin van Bronkhorst van Utrecht, door UEdel Achtbare den [-] September 1779 verleent, bij provisie nog voor een haar mag worden gecontinueert en dat UwEdel Achtbare daar van gelieven te verleenen Auctorisatie in ordinaria forma.
Twelk doende &a J:E:V: Bronkhorst, G: Rietvelt, C: Hoijnck van Papendrecht, P:B: Clavel, H:F: Pröbsting, procureur.
+
[VOORKANT] Request voor Jan Leonard van Bronkhorst, c:s: omme continuatie van het Confinement van G:B: van Bronkhorst van Utrecht.
H:F: Pröbsting, proc.

Heer en Vriend Ik was op mijn eer de heele commissie vergeten, gelukkig dat mijn vrouw er mij aen erinnerde ik wuijt haee Ed deesen avond hier. in t'kort is deese dienden dat ik toestemme dat mijn Broeder van Utrecht blijft Sitte om ongeluk te voor de familie voorte komen, also t'onmogelijk is voor hem sonder na de Oost te vertrekken, om een bestaen te hebben ik verscheve uw Ed en de ganse familie van de uijting weaer meede ik de eer heb te sijn Heer & Vriend Uw Ed. Gehoorzamen & opregte vriend J.L. van Bronkhorst (Bergen den 10 7tember 1783)

Wel Edele Heer en vriend. Wij hebben ingevolge uw verzoek UE brief zo ras mogelijk o(ver)wogen en kunnen Uw thans na deliberatie antwoorden dat wij om moverende reedenen met die vrienden verkiesen gaan, welke nog voor een jaar prolongatie van het gedagte confinement willen verzoeken. Waar mede blijven Wel Edele heere vriend Uw Ed DW Dienaar. ... Renaud (Leuwarden den 8 August. 1783)

Wel Edele geboren Heer. Ik heb d'Eer, volgens versoek, UwelEdg. geb. te melden, dat met Heeren Commisasrissen ontrent de continuatie van het Confinement van D.C. van Bronkhorst door de Familie aan de Magistraat der Stad heusden te verzoeken gesproken hebbende door hun WelEd. geinformeert ben geworden, dat ignevallen welgem. Magistraat mogte goedvinden de voorschreve continuatie nog voor een bepaalde tijd te accordeeren dienaangaande geen oppositie door de Magistraat van dese Stad sal werden gedaan waar mede in vertrouwen van aan de intentie van Uw Wel Ed. geb. voldaan te hebben na mijn vrindelijk compliment an Ue Ed. geb. nevens den Heer Hoijnck van Papendrecht, met alle agtigh betuijge te sijn WelEdele geboren Heer UwelEd. geb. Seer ootmoedige Dienaar J. Perduijn. (Dordrecht 11 Septb. 1783)

Laatst gewijzigd: januari-februari-maart 2015 / december 2016.