Aanmelden | Contact
Zoeken

Dordrecht: brieven aan Caspert (Cas) van Son (1867-1943), redacteur van Morks' magazijn ca 1905-1941


Bron: Regionaal Archief Dordrecht
Toegang: 150
Inventarisnummer: 2139

(door E. van Dooremalen)
(scans verkrijgbaar)


brieven R.W. Kennedie/Reinier Kennedy (4-2-1930; 7-3-1931; 9-5-1931)


BRIEF 4-2-1930

Bergen op Zoom 4 Febr 1930, Vrederust pavilj. II

den heer C. van Son
Aardappelmarkt
Dordrecht


Waarde heer van Son!

Het was mij een genoegen, een antwoord
van U te ontvangen, op mijn kaartje van
30 Jan 30. Kleine beleefdheden veraangenamen
het leven. Het spijt me, dat ik als
secr. der Dordtsche Kunstkring, mededeeling
moet doen van het niet beantwoorden, van
een brief welke ik 20 dec. 1928, aan onzen
voorzitter den heer J.A. Croin toezond -
Aan dezelfde onbeleefdheid maakte de heer
B. van Bilderbeek zich schuldig, en van zijn
compagnon, de heer H. Reus, na zijn bezoek van
1 april 1929, ontving ik geen antwoord meer op
een drietal brieven. 1-6-8 april '29
Ook ons gewezen lid de heer J. van Dalen heeft
mijn schrijven van 29 nov 1928 en 28 Juli 1929

nooit beantwoord. Ons medelid dokter P. Romijn,
die mij in gezelgschap van dr. Th. Stoop in 1928,
en bezoek bracht, op een zaterdagmiddag, dat
ik afwezig was, om buiten te werken, heeft even-
eens nooit op mijn brief geantwoord, die zoowel
aan hem als dr. Th. Stoop was gericht.
Heeft hij om zijne col(l)ega's, niet af te vallen
het voorzichtiger geoordeeld, als directeur van
den geneeskundige dienst te Dordrecht, te doen
alsof hij Oost-Indisch doof was, of zijn
er andere motieven?
Hij weet evenzeer als dokter Munk, dat er geen
reden was, om me in deze omgeving van T.B.C.
en Sif patienten, mijn kostbaren tijd te doen
zoek brengen.
Reeds bijna twee jaar, breng ik hier mijn
tijd zoek, en schrijf aan M.J. van Drooge
tallooze brieven, waarop ook deze, sinds zijn
eersten brief het antwoord schuldig blijft.
Of er familieleden de oorzaak van zijn of dat er
ook zogen. vrienden zijn, die het arti(e)stiek-
interessant vinden, iemand in een gekken-
huis op te bergen, zal voor de rechtbank

te Dordrecht uitgemaakt worden, de vernedering
die ik door mijn verblijf alleen in deze inrichting
heb moeten ondergaan, is zoo hemeltergend,
dat ik geen achting meer hebben kan,
van velen die den dokterstitel voeren
Over de directie van deze inrichting zal
ik maar niets meer zeggen.
Een uwer kunstkringvrieden heeft U over
gehaald uw Vader hier te laten sterven,
zoo als dezelfde dokter, ook gaarne mijn
Vader naar een zelfde inrichting had willen
wegvoeren.
Menschelijkheid is van zulke dokters niet
te verwachten, en van hunne col(l)ega's
Zenuwartsen evenmin.
Wie hier zelf niet op zijn gezondheid let
voor zoo ver dit moge(n)lijk is, gaar geestelijk
en lichamelijk ten onder.
De brieven, die ik aan den heer J. van Drooge
heb geschreven, asl ook aan den heer J.C. van Oldenborgh
den heer J. Reinhardt, architecten Bilderbeek en Reus
geven U ten volle inzicht hoe de zaak zich heeft
toe gedragen. Ook de heeren R. Larij en J.A. Croin

Bestond er een verlangen mij even ongelukkig te
maken als Kunstschilder M. [Marinus] Reus, ze hadden geen
beetere inrichting kunnen kiezen. Mijn gezonde
moraliteit en lust tot werken heeft me staande
gehouden. Alle vernedering van dokters en
vrienden en familieleden ten spijt.
Laat ik U eerlijk zeggen, dat het mij spijt dokers
in den Kunstkring te hebben leeren kennen
Er schijnt een verlangen te bestaan mij uit mijn huis
en mijn geboortestad te verbannen.
Indien ik mij in een andere stad wil vestigden
kon ik van begin mijner gevangenschap mijne
vrijheid terig krijgen.

Op deze conditie heeft ook Mr. J. van Drooge mijne
invrijheidstelling kunnen verkrijgen, welke ik weiger
op een zoo schandelijke voorwaarde te accepteeren.
Ik weet, dat het niet in het belang van mijn gezond-
heid is, hier te verblijven, nog minder in het belang
van mijn goeden naam, of van mijn artiestieke
reputatie.
De werkgelegenheden mij door mijn verwijdering
van twee jaar uit de beschaafde zamenleving
ontnomen, als ook de gelegenheid tot ten-

toonstelling, in een buitenlandsch, heeft me
enorme schade berokkend, welke niet vergoed
wordt, door de studies, die ik hier maakte
om niet te vertwijfelen.
Het verdriet watr mijn broeder J.W.O. Kennedie
en mijne zuster L. Bosman-Kennedie me
door hunne weigering om me te bezoeken, als ook
door de weinige briefwisseling, welke zij
onderhielden deden, grenst aan het onmenschelijke
Of de heeren dr. K. Dikland of dr. P.J. de Jonge
invloed hebben gehad op hun weinig bezoek
zal gerechtelijk onderzocht moeten worden.
Wat de reden is, dat de Wethouder J. Reinhardt
en Sanders - me nooit op mijn brieven
geantwoord hebben, en nooit, aan mijn
verlangen voldeden me te bezoeken, ook
niet in het algemeen belang van een honderdtal
Dordsche ingezetenen, die hier verblijfhouden
heeft niemand me willen zeggen.
U doet me werkelijk een dienst, als U mij
dit laat weten.
Van een vriend als Dijkwel heb ik in die
twee jaar nooit een letter ontvangen.

Mijn broeder weigerde mijn werk naar die
vereenigingen te zenden, waarvan ik lid ben
en de gelegenheid tot exposeeren niet
voorbij wilde laten gaan.
De heer J.C. van Oldenborgh heeft zich
belast met een keuze uit mijn werk te doen
en mijn broer te dwingen tot het doen
verzenden, anders was er niets gebeurd.
Mijne zaken zijn schandelijk verwaarloods, en
ik geloof, dat allen er van af denken te
komen, indien ik nooit meer in Dordrecht
was teruggekomen, zoowel familie als
vrienden.
De beeldhouwer D. Walbers uit den Haag,
die me anders geregeld schilder en teekenbehoeften
opzond, heeft geen antwoord op een 3tal
brieven, waarin ik hem dat nogmaals verzoek
Zelfd de bemiddelijk van den heer J.C. van Olden-
borgh, en Willy Sluiter
, schijnt niet van
invloed te zijn.
Mijn vriend Walbers is lid van Pulchri-Studio
U ziet geachte heer [Caspert/Cas] van Son, dat de vriendscchap in
kunstkringen een zonderlinge plant is.

[7] Het spreekwoord "het zijn de slschtste vruchten niet
waarvan de wespen knagen", kan in sommige
gevallen heel flateusch zijn; maar aan de vrucht
doet het toch nooit goed, door de wespen
bezoedeld te worden.
Onze Nederlandsche rechtspleging, schijnt
zich niet veel moeite te geven, de bezoedelende
wespen op te sporen, en uit te roeien.
Tusschen mijne studies en schetsen door, heb ik over
de tweehonderd brieven geschreven, om mijne vrijheid
terug te ontvangen en me te doen in eere herstellen.
De Rechtbank te Dordrecht schijnt nog geen tijd te
kunnen maken, de zaak van eerlijke menschen te onderzoeken. Durft de rechtbank geen oordeel meer
uittespreken?
Ik heb den heer S.M. Hugo van Gijn in zijn
qualiteit van Eere Burger van Dordrecht om zijn
bemiddeling verzocht, ook als Oud lid der Staten
generaal. De Heer J. van Zadelhof, door bemiddeling
der heeren dr. Stoop en Reinhardt en Sanders, in zijn
qualiteit van Tweede Kamerlid.
Kan de heer P. de Kanter, die voor U geen onbekende
is, soms eenige invloed uitoefenen tot mijn onmid-

delijke invrijheidstelling en terugkeer naar Dordrecht? Men vraagt zich af hebben
gewezen of nog zittinghoudende kamerkedden, nog eenige
invloed, tegen het machtsmisbruik, van heeren
dokters van welke richting ook?
Gaan we terug naar de medizijn-mannen der
Hottentotten?
Hoe is het moge(n)lijk dat mend e heeren dokters
van deze inrichting een dergelijke macht toekent
dat ze durven beslissen, war men zich moet
vestigen.
Mijnheer van Son, het is heel mooi, zoch voor
de Nederlandsche taal warm te maken, en daar-
voor een vereniging te hebben helpen stichten.
Toch geloof ik dat het nu wel nuttig is, een
vereniging in het leven te roepen, die het verstand-
dige menschdom, beschermt tegen het macht-
misbruik van heeren doktoren.
Met mijne bete wenschen vor Uwe gezondheid,
en die wer Echtgenoote, verzoek ik U mijne
beeste groten te aanvaarden, en die over te
brengen aan wederzijdsche vrienden.

Achtend R. Kennedie.



BRIEF 7-3-1931

Bergen op Zoom 7 Maart 1931, Inr: Vrederust pav. II

Den Wel Ed. Heer C. van Son
Administrateur van het Alg. Ned. Verbond
No. 19 Aardappelmarkt
Dordrecht


Geachte Heer van Son!

Uit het schrijven, wat ik 10 febr. 1931, aan
den heer Roland Lary richte, zal het
U bekend zijn, dat ik zeer verwonderd
was, over de onwaardige handelwijze
van U en den Heer H. Reus, tegen-
over, een Werkend lid van Pictura en
de Dordsche Kunstkring.
Als men, gelijk met mij het geval is
bijna drie jaren, als misdadiger uit de
Dordsche zamenleving gebannen is,
blijft de hoop levendig, dat wanneer
er kunst-lievende vrienden, het ver-

[2] bannings-oord bezoeken, zij den moed
hebben hun plicht te doen, als goede leden
van vornoemde verenigingen.

Gaarne geloof ik dat het bezoek
aan kunstschilder M.P. Reus, uwen
tijd voor een groot gedeelte in beslag
nam. Een kleine opoffering, zou
het geweest zijn, indien een Uwe mij
even van Uwe aanwezigheid in
kennis had gesteld.

Uw vriend M.P. Reus vertelde mij bij
mijn bezoek van 's namiddags 9 Febr.
dat geen uwer zelfs naar mij informeer-
de en dat hij zelf, op de gedachte
kwam U en den heer H. Reus aan
mijn aanwezigheid te herinneren, toen
al zijne bezoekers vertrokken waren.

Ik vraag me af wie van de beide partijen
verstandig zijn. De bezoekers of de bezochte.

[3] Ik heb collega - kunstschilder M.P. Reus toe-
gewenscht, dat wanneer hij nogmaals be-
roemd bezoek ontvangt, van de beide
steunpilaren van het Alg. Ned. Vlaamsch
Verbond - van zooveel detivisme, dat ze
zelfs geen tijd willen verspillen, om
goede - werkende - Pictura en Kunstkring-

leden in ballingschap te bezoeken
hij zijn menschlievend geheugen wat
vlugger in werking stelt.

Dinsdag-middag 3 Maart wilde ik col(l)ega -
M.P. Reus bezoeken, maar werd mij door
een der zusters, namens dr. P.J. de Jonge
gezegd, dat de Heer M.P. Reus geen bezoek
mocht hebben.

Van morgen vernam ik dat het met den patient
goed gaat. Tot teekenen
heb ik hem in het begin van zjn verblijf
kunnen bewegen, tot schrijven van Vrienden
niet; wat zeer jammer is.

[4] Als ik aan Mr. J. van Drooge senior schrijf, dat
ik dezen den algemeenen toestand van den
heer M.P. Reus mede.

Aan den Wel Ed. heer A.J. Croin, onze Kunstkring
Voorzitter heb ik 25 Febr. mijne verwondering
medegedeeld over het niet beantwoorden,
van een brief die ik hem 20 dec. 1928 toezond
en over de gewilde veronachtzaming van U
en den heer Architect H. Reus.

In afwachting van Uw antwoord, en
van mijn spoedige invrijheidstelling en
rechtsvaardiging van de Rechtbank tre
Dordrecht, verzoeke ik U mijne beste
groeten te aanvaarden, ook aan
uwe Echtgenoote en Pictura en Kunst-
kringleden.

Hoogachtend,
R.W. Kennedie


BRIEF 9-5-1931

Bergen op Zoom 9 Mei 1931, Inr. Vrederust pav. II

Den Wel Ed. Heer C. van Son
Administrateur van het Alg. Ned. Verbond
Aardappelmarkt 19 Dordrecht


Waarde heer van Son!

Uw brief van 1 Mei 1931 ontving ik 4 Mei
Genoegen doet 't mij dat U eindelijk hebt
durven antwoorden op mijn brief van 7
Maart 1931. Uwe verontschuldigingen
zijn uitvluchten en Uw brief geeft geen
antwoord op de vragen - U en Architect
H. Reus, in mijne brieven van 7 Maart
gesteld. Bijna twee maanden na-
denken om mij te antwoorden, is voor
een geroutineerde schrijver als U, een
te gezochte verontschuldiging, om mij
aan Uwe oprechtheid te doen gelooven
Het zacht gevooijds van Algem. Ned.
Verbond - Mannen, die mij niet durven.

[2]
bezoeken, stuurt me met geen kluitje in
het riet, al heeft Guido Gezelle op
dat riet een mooi gedicht gemaakt.

Met een sukkelaar als Kunstschilder
M.P. Reus, en een opschepper in de
schilderkunst als secretaris L. Verhoeven,
is dat moge(n)lijk met mij niet.

Daags na ontvangst van uw brief heb ik
aan eenige pleegzusters en verpleegden in
pav. 9 uit Uw Naam; aan kunst-
schilder M.P. Reus laten vragen
een briefkart of prentkaart met
mijn handteekening te schrijven aan
U of Arch: H. Reus.
Daarna heb ik geregeld geinformeerd
of aan dat verzoek voldaan is, waar
een ontkennend antwoord ontvangen.

Het moet U niet verwonderen, dat ik niet
tegenstaande, de schandelijke vernedering
vanaf 13 Maart 1928, in deze inrichting

[3]
doormakende; Een vernedering waarvan ik
nog niet weet, of het een gevangenisstraf -
vernedering of krankzinnigengesticht ver-
nedering is; toch de lust tot Werken
behouden heb?

Ik ben geen ambtenar, die van den
eenen vacantie in den anderen leeft.
Ook laat ik me niet zooals met een
mijner vrienden het geval was, een
jaar rust aanraden, door en concur(r)ent
Zemelachtige doktoren??? kunnen
me evenmin tot werkeloosheid
overhalen.
Heusch Waarde Heer van Son, het is
een beledigende gewoonte van U geworden
"Menschen" met uw vriend M.P. Reus
te vergelijken.
Uw vriend M.P. Reus het zal U bekend
zijn, is het laffe slachtoffer geworden
van boemel-Barons, met artistieke
geneugten, in het Huisschildersbedrijf

Uw vriend Gerard Korthals, heeft in de

[4]
mobilisatie jaren, op een teekenavond van
het genootschap Pictura, daarvan een verhaal
gedaan, in tegenwoordiheid van den Heer
Koekoek
, ambtenaar ter Griffie op het Tribu-
naal te Dordrecht.
Ondergeteekende en alle bezoekers Werkende-
leden der teekenavonden van Pictura in die
dagen, waren tegenwoordig.

Het kan gecontroleerd worden Waarde Heer van Son.

Ook vraagt U maar eens aan uwe Vrienden
G. Korthals en S. Wijnhoven, zich te herrin-
eren, dat zij mij op Pictura eens hebben ge-
vraagd of ik niet een zekere dokter de Jonge
kende,. die in Tholen of bergen op Zoom
woonde, en 'schilderijen' wilde koopen.

Op dat tijdstip kwamen officeren van het
garnizoen te Dordrecht, op bezoek op het
atelier van G. Korthals op Pictura - Voorstraat
152 - te Dordrecht.

[5]
Ik behoef U niet verder in te lichten. Ruim drie
jaren geleden, vertelde U op de Kunstkringavond
een tand-arts te bezoeken te Bergen op Zoom
van Autvr:(?) beginselen.
Daar U met den Wel Ed Heer P.J. de Kanter
vorzitter van het Alg. Ned. Verbond in kennis
komt, verzoek ik U dezen er op te wijzen, dat
heb "Stemrecht" mij onthouden is gebleven
de drie jaren die ik in Vrederust doorbreng, niet-
tegenstaande, ik Hr: Salomonson - Mr. J. van
Drooge sr, mijn broeder J.W.O. Kennedie
, en
Burgemeester en Wethouders van Dordrecht
heb verzocht, mijn "Stemrecht" te handhaven
Ook den Wel Ed. heer S.M. Hugo van Gijn, en
den afgevaardigde ter tweede kamer den Staten
genderaal J.H.F. van Zadelhoff.

Ik richt, dit verzoek tot den heer P.J. de Kanter,
in zijn kwaliteit van lid der Provinciale Staten
van Zuid-Holland.

Ik verzoek U den heer P.J. de Kanter mede
deeling te doen, van mijn gevangenneming op het

[6]
politie-bureau te Dordrecht, dinsdagmidag
+- 2 uur, 13 Maart 1928
, door Commissaris
Heuff en zijn adjudant Zwama, op bevel
van den officier van Justitie - Heuvelink
en de Zenuw-dokter G.N. Munk -
voorheen Oranjelaan 4 - nu Vriezeweg 52
te Dordrecht.

U vraagt mij "geduld" te hebben met de
"toestand" waarin men mij geplaatst heeft!

Aan de politieke Medicijn-Mannen
Dr. Th. Stoop en Dr. P. Romijn, heb ik
per brief voorgesteld, mijn plaatsvervanger
hier te worden.
Dr. Th. Stoop verzocht ik zijn beide studeerende
zoons, met de vacantie hier te zenden, om een
studie van gedigenereerden te maken, wat
hen bij hun "proefschrift" van dienst kan zijn.

Beiden hebben nooit durven atnwoorden, en lieten
"Pa" een onbenulig schrijven zenden.
Ook den zoon van Arch: H. Reus, deed ik het

[7]
zelfde voorstel in het belang zijner medische en ziel-
kundige studien, om praktsch, de Bloem des
Hollandsche Natie, in 's lands Krententuin te
bestudeeren.
Pa en Ma - H. Reus - voelden er blijkbaar
weinig voor, hun telg, als medisch student,
in dit dwangarbeiders "Instituut" zijne
studien te laten voltooijen, voor hij als
dokter werd losgelaten op de lijdende
mensch-heid.

Om U een voorbeeld te geven van het
"charmante millieu", laat ik hier het
verslag volgens van een vechtpartij
die 's morgens 6 Mei 1931 - plaats had
tusschen, de heren van Halen - woon-
achtig te Zwijndrecht en Brouwer, wiens
familie te Dordrecht woont.

Van Halen, die op de Zondagochtend te
Zwijndrecht, medewerking verleende, ter-
zelfder wijd, dat de Dordsche onderwijzer
Elzie de Meer - verbonden aan de Chr. Juliana-

[8]
school - aan den Singel (naast dr. F. Delhez)
& hield zich onledig, het was 's morgens 8 1/2 uur
met het naschrijven, van gedeelten uit -
"Zon en Schild" een Christelijk dagboek van
Dr. Fernhout.
Patient Brouwer ziet in ieder die hem aan
lijkt en mensch die hem zooals hij zelf zegt,
tot "Sexueele handelingen" wil verleiden
Hij houdt met zich zelve, den geheelen
dag door, geeft gesprekken over dat onderwerp,
in wiens nabijheid hij zich ook bevindt.

Hij wekt medelijden op waar echter een
grns aankomt, als hij door zijn "irriteerend"
gepraat, een ander belet te schrijven.

Op een oogenblik dat de zaalbroeder
Verpleger J. Kok er niet oprekent, vliegen
ze las kenmphanen op elkar aan
de bewaker J. Kok schridt de vechtende,
door van Halen tegen de deur der Garde-
robe aan te drukken.
Ik roep den heer van Halen toe, zich kalm

[9]
te houden, waar deze gehoor aan geeft,
en wardoor onaangenaamheden met
een bewaker vermeden worden, warvoor
we allen waardeering hebben.
Indien van Halen, zich verzet zou hebben
is hij als de meestverstandige, in verge-
lijking met patient Brouwer de "Man die
de klappen krijgt".

U ziet Waarde heer van Son, wat uw
verzoek voor mij beteekent, om geduld
te oefenenen, in deze overspannen omgeving
waarop de doktoren, weinig of geen
invloed uitoefenen.

Bij het uitgaan der kerk - hedenmorgen 19 Mei -
heb ik een der aanwezigigen in paviljoen 9, ver-
zocht aan Vriend M.P. Reus te verzoeken
aan Uw verzoek tot schrijven te voldoen,
en hem te zeggen, dat ik heden over
hem aan U zou schrijven.
Tegen onwillige menschen helpt redeneeren
weinig - Col(l)ega M.P. Reus heeft sinds

[10]
lang, de slechte gewoonte aangenomen zijne
zaken door anderen te laten behartigen
wat zeer jammer is, daar het hem aan
ontwikkeling niet ontbroken heeft.

Tot mijn verwondering en teleurstelling gaf
U mij in Uw brief van 1 Mei 1931, geen
antwoord op mijn verzoek om inlichtingen
omtrent mijn huis Reeweg 95 te Dordrecht,
en mijne zuster H.J. Bosman Kennedie
en hare drie kinderen (Koningin Wil
helminastraat 17 te Dordrecht)

Van Pictura of Kunstkringleden ontvang ik
nooit antwoord op mijne brieven.
De Heer J. van Wageningen, noch de heer B. van
Bilderbeek laten iets van zich hooren.
Dr Eijkman - ons mede kunstkringlid - blijft
mij het antwoord schuldig, op mijn brief van
8 Nov. 1930. De Heer C.C.A. Croin
onzer kunstkring voorzitter geeft 't slechtse
voorbeeld, en arch. H. Reus, doet na zijn
bezoek op 1 April 1929 - alle moeite zijn

[11]
neef Kunstschilder M.P. Reus opgeborgen in
Pac. 9 te Bergen op Zoom (Vrederust) in schrijf-
moe-heid te evenaren.
Is dit geen onderwerp voor zijn Zoon, om over
"Schrijfmoe-heid" een proefschrift te geven
Zou het mischien tot erfelijksch Theorie
verheven kunnen worden - voorkomende
bij ridders van de trekpen en van het
penseel?
Hij mag zich wel haasten, daar anderen hem
voor kunen zijn - Laat hij maar gegevens
bij mij vragen, of aan zijn Vader verzoeken mij
daarover te schrijven.

8 Mei heb ik den heer H.J. Thoman nog
geschreven en 7 Mei Mr. P.J. Sigmond.

In afwachting U te leren, verzoek ik U
en uwe Echtgenoote mijne oprechte
groten te aanvaarden en deze over te brengen
aan wederwijdsche Vrienden.

Achtend R.W. Kennedie.

Laatst gewijzigd: maart 2020.